Ga naar de inhoud van deze pagina Ga naar het zoeken Ga naar het menu
Vorige pagina

Raadsvergadering archief

dinsdag 15 december 2015

18:45
Locatie

Raadzaal

Toelichting

gemeenteraad 15 december 2015

Uitzending

Agendapunten

  1. 1
    Verklaring der letters: (B) = beeldvormende vergadering (O) = oordeelvormende vergadering
  2. 2
    18.45 - 19.00 uur Ontvangst met koffie (Burgerzaal)
  3. 6
    20.45 - 21.00 uur Pauze
  4. 7
    21.00 - 23.00 uur Besluitvormende raadsvergadering
  5. 8
    Gelegenheid tot inspreken over niet-geagendeerde onderwerpen
  6. 9
    Opening
  7. 10

  8. 11
    Mededelingen
  9. 12

  10. 14

    Besluiten

    1. Kennis te nemen van de begroting van de GR IJsselmeergroep 2016;
    2. Geen wensen of bedenkingen kenbaar te maken bij de begroting van de GR IJsselmeergroep 2016.

    De volgende technische wijzigingen, op grond van de financiële verordening vast te stellen:

    1. Actualiseren budget 2015 Bijdrage brede doeluitkering Verkeer & vervoer door budgetneutraal de baten en lasten met +€ 194.336 aan te passen.
    2. Actualiseren budgetten 2015 van projecten gefinancierd uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) door budgetneutraal de baten en lasten met +€ 31.000 aan te passen.
    3. Actualiseren budgetten 2015 Onderwijsachterstanden Beleid door budgetneutraal de baten en de lasten met +€ 1.431.837 aan te passen.
    4. Actualiseren budgetten Web Middelen non- formele deel door de baten en lasten budgetneutraal met +€ 71.553 (2015) aan te passen en structureel vanaf 2016 met +€ 73.624.
    5. Actualiseren budgetten RMC middelen 2015 Voortijdig Schoolverlaters door het budget vanaf 2015 structureel de baten en lasten met -€ 626.925 aan te passen.
    6. Actualiseren budgetten n.a.v. Bedrijfsplan ZLF door de baten en de lasten Budgetneutraal met +€ 241.000 (structureel vanaf 2015) aan te passen.
    7. Actualiseren budgetten n.a.v. opheffen Commissie 28, budgetneutraal door de baten en lasten vanaf 2015 met -€ 27.255
      (structureel) aan te passen.
    8. Voor financiering van een onafhankelijk adviseur stadshart de baten en lasten budgetneutraal met +€ 26.667 (Incidenteel 2015) aan te passen.
    9. Actualisatie opbrengsten en bijbehorende lasten bedrijfsvoering door de baten en lasten budgetneutraal (structureel vanaf 2015) met +€ 288.193 aan te passen.
    10. Actualiseren budgetten 2015 nieuwe Rioolaansluitingen 2015 door de baten en de lasten budgetneutraal met -€ 70.000 aan te passen.
    11. Actualiseren beheerkosten Brandweerkazerne naar nieuwe werkwijze duur de baten en de lasten budgetneutraal met + en
      -€ 157.710 ( Structureel vanaf 2015) aan te passen.
    12. Stadshart: voor ondersteuning opstartkosten initiatieven Stadshart de baten en lasten budgetneutraal met -€ 30.000 in 2015;
      +€ 30.000 in 2016 aan te passen.
    13. Actualiseren budget Fietsknooppuntennetwerk Lelystad door de baten en lasten budgetneutraal met -€ 40.600 in 2015; +€ 40.600 in 2016 aan te passen.
    14. Actualiseren budget Stedelijke vernieuwing op Uitnodiging door de baten en lasten met -€ 65.000 in 2015; +€ 65.000 in 2016 aan te passen.
    15. Actualiseren budget Uitbreiding High Containment Unit ( UCU), Budgetneutraal door de baten en lasten met +€ 300.000 (2016) aan te passen.
    16. Verschuiving incidentele budgetten "Vlottrekken van de stagnerende woningmarkt" van subprogramma 4.2 Meer werkgelegenheid Naar subprogramma 4.3 Aantrekkelijke woonstad totaal €95.000.
    17. Opschoning budgetten participatiebudget Budgetneutraal door de baten en lasten met -€ 6.164.200 (Structureel vanaf 2015) aan te passen.
    18. Opschonen budgetten n.a.v. ontvlechting de school de Steiger door de baten en lasten budgetneutraal met -€25.492 ( structureel vanaf 2015) aan te passen.
    19. Opschonen budgetten verhuuropbrengsten MFA Zuiderzeewijk n.a.v. wijziging BTW regime door de baten en lasten budgetneutraal met +€161.000 ( structureel vanaf 2015) aan te passen.
      Voorstellen doorschuifbudgetten:
    20. Het budget digitale Dienstverlening met -€ 95.000 in 2015 en
      +€ 95.000 in 2016 aan te passen.
    21. Het budget voor Invoering BGT met -€ 75.000 in 2015 l +€ 75.000 in 2016 aan te passen.
    22. Het budget voor uitvoering Fietsplan Stadshart met -€ 23.315 in 2015 en € 23.315 in 2016 aan te passen.
    23. Het budget Activiteitengeld Duurzaamheid met -€ 25.000 in 2015 en +€ 25.000 in 2016 aan te passen.
    24. De volgende budgetten in Transitiefonds sociaal domein met totaal -€185.000 in 2015; +€ 185.000 in 2016 aan te passen:
      a. Lelystad akkoord -€ 35.000 in 2015; +€ 35.000 in 2016
      b. Ideeënmakelaar -€ 80.000 in 2015; € 80.000 in 2016
      c. Ondersteuning bewonersinitiatieven -€ 70.000 in 2015; +€ 70.000 in 2016.
    25. Het budget Huishoudelijke hulp toelage met -€ 100.000 in 2015
      +€ 100.000 in 2016 aan te passen.
    26. Het budget Mensen maken de buurt met -€ 70.000 in 2015 en
      +€ 70.000 in 2016 aan te passen.
    27. Het budget Skaeve huse met -€ 91.000 2015 en +€ 91.000 in 2016 aan te passen.
    28. Het budget Gasleidingen met -€ 100.000 in 2015 en +€ 100.000 in 2016 aan te passen.
    29. Het budget Uitvoeringskosten implementatie Participatiewet met
      -€ 28.000 in 2015 en +€ 28.000 in 2016 aan te passen.
    30. Het budget Aanleg Glasvezel, -€ 215.000 in 2015 en +€ 215.000 in 2016 aan te passen.
    31. Het Frictie en hervormingsbudget 2015 met -€ 200.000 en + 200.000 in 2016 aan te passen.

    Geen wensen of bedenkingen kenbaar te maken ten aanzien van het voornemen van het college om deel te nemen in de Vereniging van Eigenaars (VVE) i.o. Combinatie gebouw.

    Het verzoek van Provinciale Staten, om aan te geven hoe de gemeenteraad gehoord wil worden in de procedure van het inpassingsplan voor de verbindingsweg en halve aansluiting op de A6, te beantwoorden met de brief “Inspraakreactie en horen gemeenteraad over inpassingsplan verbindingsweg en halve aansluiting A6”.

  11. 15

    Besluit

    PARKEERVERORDENING LELYSTAD 2016.



    AFDELING I. DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
    ARTIKEL 1
    In deze verordening wordt verstaan onder:
    a. RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
    b. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van
    brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990;
    c. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande gebouwde en ongebouwde voorzieningen, terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
    d. houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het
    parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;
    e. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van verzamel-parkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeer-apparatuur wordt verstaan;
    f. parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats ten aanzien waarvan het parkeren geregeld wordt door parkeerapparatuur;
    g. belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;
    h. vergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen, gedurende een bepaalde periode;
    i. abonnement: een door het college van burgemeester en wethouders verleend abonnement, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren in een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeergarage of op een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeerterrein, gedurende een bepaalde periode;
    j. parkeerbundel: een door het college van burgemeester en wethouders verleend abonnement, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren in een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeergarage of op een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeerterrein, waarbij maandelijks een bepaald aantal uren mag worden geparkeerd, waarbij de parkeertijd buiten dit abonnement wordt verrekend tegen het reguliere tarief;
    k. prepaidbundel: een door het college van burgemeester en wethouders verleend parkeertegoed, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren in een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeergarage of op een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeerterrein, waarbij maandelijks een bepaald aantal uren mag worden geparkeerd, waarbij de parkeertijd buiten dit parkeertegoed wordt verrekend tegen het reguliere tarief;
    l. parkeerkraskaart: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen in het op de parkeerkraskaart aangegeven gebied, gedurende een dag die op de parkeerkraskaart is opengekrast;
    m. barcodedagkaart: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen, gedurende een vooraf aangegeven dag;
    n. bezoekersdagvergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen voor maximaal een dag een motorvoertuig te parkeren als bezoeker van een bewoner, die woonachtig is in een gebied waar sprake is van parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;
    o. uitrijkaart: een door het college van burgemeester en wethouders verleende kaart die het eenmalig uitrijden van een parkeergarage of een parkeerterrein mogelijk maakt;
    p. dag: periode van 00.00 uur tot 24.00 uur;
    maand: een kalendermaand;
    kwartaal: drie aaneengesloten kalendermaanden;
    jaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december;
    q. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;
    r. abonnementhouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een abonnement is verleend;
    s. autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden;
    t. autodateplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodate;
    u. gehandicaptenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het RVV 1990.


    AFDELING II. PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN, VERGUNNINGBEWIJZEN EN ABONNEMENTEN
    ARTIKEL 2

    1. Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten en/of gebieden aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college van burgemeester en wethouders kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3.
    2. Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, met een slagboom afgesloten parkeergarages of parkeerterreinen aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren voor abonnementhouders. Het college van burgemeester en wethouders kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3.
    3. Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, met een slagboom afgesloten parkeergarages of parkeerterreinen aanwijzen waar het gebruik van uitrijkaarten en prepaidbundels mogelijk is. Het college van burgemeester en wethouders kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3.
    4. Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders, danwel abonnementhouders is toegestaan.
      ARTIKEL 3
    5. Het college van burgemeester en wethouders kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning, abonnement, prepaidbundel of uitrijkaart verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen.
    6. Het college van burgemeester en wethouders kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning, abonnement, prepaidbundel of uitrijkaart.
    7. Het college van burgemeester en wethouders kan de volgende parkeerproducten verlenen:
      a. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn een vergunning of abonnement, te noemen bewonersvergunning / bewonersabonnement verlenen (categorie I):
    • het aantal te verlenen bewonersvergunningen / bewonersabonnementen, wordt verminderd met het aantal bij de woning behorende of zich op het grondgebied van de woning bevindende dan wel op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins ter beschikking van de bewoner staande stallingsplaatsen, gelegen binnen het vergunninggebied waarin aanvrager woonachtig is;
    • per woonadres worden maximaal twee bewonersvergunningen / bewonersabonnementen verstrekt.
      b. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn een vergunning of abonnement, te noemen bedrijfsvergunning / bedrijfsabonnement verlenen (categorie II):
    • het aantal te verlenen bedrijfsvergunningen / bedrijfsabonnementen wordt verminderd met het aantal bij het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende dan wel op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins ter beschikking van het bedrijf staande stallingsplaatsen, gelegen binnen het vergunninggebied / abonnementgebied waarin aanvrager gevestigd is;
    • per bedrijf worden, binnen de gebieden met betaald parkeren, maximaal twee bedrijfsvergunningen / bedrijfsabonnementen afgegeven.
      c. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate, waarvan de autodateplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders/ abonnementhouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn een vergunning of abonnement verlenen (categorie III).
      d. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig een vergunning, abonnement, prepaidbundel of uitrijkaart verlenen (categorie IV):
    • een vergunning kan alleen worden afgegeven voor de gebieden waar vooraf betaald parkeren is ingevoerd en/of belanghebbendenplaatsen zijn ingericht;
    • een abonnement, waaronder ook parkeerbundels worden verstaan, prepaidbundel of uitrijkaart kan alleen worden afgegeven voor de gebieden waar achterafbetaald parkeren is ingevoerd, met uitzondering van de parkeerterreinen bij Bataviastad en de VOC-garage.
      e. het college van burgemeester en wethouders kan aan degene die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, ten behoeve van het parkeren van het motorvoertuig van degene die hem of haar bezoekt, een vergunning in de vorm van een parkeerkraskaart, een bezoekersdagvergunning of barcodedagkaart verlenen (categorie V).
      f. het college van burgemeester en wethouders kan aan een instelling of persoon die zorg verleent binnen Lelystad en eigenaar of houder is van een motorvoertuig en die voor die zorgverlening structureel één of meer motorvoertuigen moet bezigen, voor het parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen een vergunning of abonnement, te noemen zorgvergunning / zorgabonnement, verlenen (categorie VI).
      g. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die als vrijwilliger werkzaam is voor de Bataviawerf, het Nieuwland Erfgoedcentrum en/of de KNRM een abonnement verlenen (categorie VII).
      h. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in De Stelling of die daar een beroep of bedrijf uitoefent een vergunning, te noemen een bewonersvergunning / bedrijfsvergunning De Stelling, verlenen (categorie VIII):
    • het aantal te verlenen bewonersvergunningen / bedrijfsvergunningen De Stelling wordt verminderd met het aantal bij de woning/ het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van de woning/ het bedrijf bevindende dan wel op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins ter beschikking van de bewoner/ het bedrijf staande stallingsplaatsen, gelegen in De Stelling;
    • per adres in De Stelling worden maximaal twee bewonersvergunningen / bedrijfsvergunningen De Stelling afgegeven.
      i. het college van burgemeester en wethouders kan aan een bewoner woonachtig op een adres in De Stelling of een bedrijf gevestigd in De Stelling en die voor zijn/haar bezoek een vergunning wenst te gebruiken een vergunning, te noemen een bezoekersvergunning De Stelling, verlenen (categorie IX):
    • per adres in De Stelling, worden maximaal twee bezoekersvergunningen De Stelling afgegeven.
    1. De eigenaar of houder van een motorvoertuig die voldoet aan zowel de onder 3a. als onder 3b. genoemde voorwaarden wordt geacht te beantwoorden aan de onder 3a. genoemde voorwaarden.
    2. Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen een vergunning, een abonnement dan wel een prepaidbundel of uitrijkaart verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.
    3. Aan de vergunning, het abonnement, de prepaidbundel of de uitrijkaart kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop deze parkeerproducten van kracht zijn.
    4. Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, het maximum aantal uit te geven vergunningen, abonnementen, prepaidbundels of uitrijkaarten, per aaneengesloten gebied en per categorie aanpassen dan wel vaststellen.
    5. Het college van burgemeester en wethouders kan aan een vergunning, abonnement, prepaidbundel of uitrijkaart voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte, bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

    ARTIKEL 4

    1. Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning, abonnement, prepaidbundel of uitrijkaart.
    2. Het college van burgemeester en wethouders kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste acht weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

    ARTIKEL 5

    1. Een vergunning, abonnement of prepaidbundel wordt per jaar dan wel een gedeelte van een jaar (maand of kwartaal) verleend.
    2. Een vergunning, abonnement, prepaidbundel bevat in ieder geval de volgende gegevens:
      a. het gebied waarvoor de vergunning/ het abonnement/ de prepaidbundel geldt;
      b. de periode waarvoor de vergunning/ het abonnement/ de prepaidbundel geldt;
      c. de naam van de vergunninghouder/ abonnementhouder/ houder van een prepaidbundel of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning, het abonnement of de prepaidbundel is verleend.
    3. De parkeerkraskaart bevat in ieder geval de volgende gegevens:
      a. het gebied waarvoor de parkeerkraskaart geldt;
      b. de dag waarvoor de parkeerkraskaart geldt zoals die is open is gekrast.

    ARTIKEL 6
    Het college van burgemeester en wethouders kan een vergunning, abonnement, prepaidbundel of uitrijkaart intrekken of wijzigen:
    a. op aanvraag van de vergunninghouder, abonnementhouder, houder van een prepaidbundel of uitrijkaart;
    b. wanneer de vergunninghouder, abonnementhouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend;
    c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning, het abonnement, de prepaidbundel of de uitrijkaart;
    d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen of abonnementen komt te vervallen;
    e. wanneer voor het betreffende gebied het gebruik van prepaidbundels en uitrijkaarten niet langer wordt toegestaan;
    f. wanneer de vergunninghouder, abonnementhouder, houder van een prepaidbundel of uitrijkaart niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor deze parkeerproducten heeft voldaan;
    g. wanneer de vergunninghouder, abonnementhouder, houder van een prepaidbundel of uitrijkaart handelt in strijd met de aan deze parkeerproducten verbonden voorschriften;
    h. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning, het abonnement, de prepaidbundel of uitrijkaart onjuiste gegevens zijn verstrekt;
    i. wanneer de vergunninghouder, abonnementhouder, houder van een prepaidbundel of uitrijkaart dit parkeerproduct vervalst of ter vervalsing heeft aangeboden dan wel sprake is van een andere vorm van misbruik;
    j. om redenen van openbaar belang.


    AFDELING III. VERBODSBEPALINGEN
    ARTIKEL 7

    1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats of een autodateplaats slechts aan vergunninghouders of abonnementhouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:
      a. zonder vergunning of abonnement;
      b. zonder dat het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare vergunning;
      c. in strijd met de aan de vergunning of het abonnement verbonden voorschriften.
    2. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

    ARTIKEL 8
    Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen dan wel met andere
    munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te
    stellen.


    ARTIKEL 9

    1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan:
      a. op een parkeerapparatuurplaats;
      b. op een belanghebbendenplaats.
    2. Het is verboden een (brom)fiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd.
    3. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

    AFDELING IV. STRAFBEPALING
    ARTIKEL 10
    Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van
    ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie.


    AFDELING V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
    ARTIKEL 11
    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen.


    ARTIKEL 12
    Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening Lelystad 2016.


    ARTIKEL 13

    1. Deze verordening treedt, onder gelijktijdige intrekking van de Parkeerverordening Lelystad 2015 van 16 december 2014, in werking op 1 januari 2016.
    2. Besluiten, genomen krachtens de Parkeerverordening Lelystad 2015 van 16 december 2014 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
  12. 16

    Besluit

    Artikel 1 Belastingplicht

    1. Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:
      a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
      b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
    2. Bij de gebruikersbelasting wordt:
      a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
      b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
    3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

    Artikel 2 Belastingobject

    1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
    2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

    Artikel 3 Maatstaf van heffing

    1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.
    2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

    Artikel 4 Vrijstellingen

    1. In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
      a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
      b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
      c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
      d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij de krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
      e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
      f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
      g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
      h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
      i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
      j. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
      k. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
    2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel k van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
    3. In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

    Artikel 5 Belastingtarieven

    1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
      a. de gebruikersbelasting 0,0000%;
      b. de eigenarenbelasting
      1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,2014%;
      2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,6895%.
    2. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's.
    3. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats.
      Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

    Artikel 6 Wijze van heffing
    De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.


    Artikel 7 Termijnen van betaling

    1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
    2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
    3. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
      De eerste termijn vervalt:
      a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari, maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;
      b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
      volgende termijnen telkens een maand later.
    4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
    5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

    Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.


    Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel

    1. De “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2015” van 16 december 2014 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
    2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.
    3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.
    4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2016”.
  13. 17

    Besluit

    Artikel 1 Begripsbepalingen
    In deze verordening wordt verstaan onder:
    a. referendum: volksstemming waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een door de raad te nemen besluit;
    b. kiesgerechtigden: diegenen die op de drieënveertigste dag voorafgaande aan de dag waarop het referendum wordt gehouden overeenkomstig artikel B3 Kieswet kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad;
    c. raadgevend referendum: volksstemming waarbij kiesgerechtigden zich op initiatief van burgers uitspreken over een te nemen besluit;
    d. raadplegend referendum: een referendum op initiatief van de raad waarbij de kiesgerechtigden antwoord geven op de door de raad vastgestelde vraag over een groot vraagstuk zoals beschreven in een startdocument;
    e. groot vraagstuk: een maatschappelijk vraagstuk met ingrijpende gevolgen voor de Lelystadse samenleving waarbij de oplossing veel tijd vraagt en/of waarbij grote financiële belangen in het geding zijn en/of waarbij veel partijen betrokken zijn;
    f. startnotitie besluitvormingsproces: een document als bedoeld in artikel 2;
    g. startdocument groot vraagstuk: een document als bedoeld in artikel 6;
    h. besluit: een schriftelijke beslissing van de raad.
    Artikel 2 Startnotitie voor het besluitvormingsproces
    De raad kan voor een groot vraagstuk een startnotitie voor de inrichting van het besluitvormingsproces vaststellen, waarin is aangeven over welke beslissing met betrekking tot dat vraagstuk een referendum op grond van deze verordening kan worden gehouden.
    Artikel 3 Voor een referendum in aanmerking komende beslissingen

    1. Indien een verzoek door burgers voldoet aan de eisen zoals gesteld in deze verordening en er zich geen uitzonderingsgronden voordoen zoals opgenomen in het tweede lid, besluit de raad dat een raadgevend referendum zal worden gehouden over een te nemen raadsbesluit.
    2. Een raadplegend referendum kan in elk geval niet worden gehouden over besluiten:
      a. over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen;
      b. tot vaststelling of wijziging van een rechtspositionele regeling;
      c. over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen ambtsdragers, en hun nabestaanden;
      d. over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening;
      e. over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen;
      f. over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten;
      g. tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan;
      h. in het kader van deze verordening;
      i. inzake bezwaar -of beroepsprocedures of rechtsgedingen;
      j. als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, 51, eerste en derde lid, 61, eerste en derde lid, 73, eerste en derde lid en 96 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, alsmede tot het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling als bedoeld in artikel 96 van de Wet Gemeenschappelijke regelingen;
      k. als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a van de Wet Algemene regels herindeling (Arhi);
      l. ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft;
      m. waarbij het belang van het referendum naar het oordeel van de raad niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun plaats in de samenleving;
      n. welke naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden;
      o. waarvan de totstandkoming, inwerkingtreding of uitvoering naar het oordeel van de raad niet kan worden uitgesteld vanwege enig daarmee gemoeid belang;
      p. besluiten waarvan de raad van oordeel is dat er andere dan de onder m tot en met o genoemde redenen zijn om geen referendum te houden.
      Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen over het raadgevend referendum

    Artikel 4 Het raadgevend referendum: inleidend verzoek

    1. Kiesgerechtigden kunnen een inleidend verzoek tot het houden van een referendum uiterlijk één week voor de plenaire behandeling van het concept-raadsbesluit bij voorzitter van de raad indienen.
    2. Het inleidende verzoek moet worden ondersteund door een aantal kiesgerechtigden dat tenminste gelijk is aan 1% van het aantal kiesgerechtigden bij de laatst gehouden verkiezing van de leden van de raad.
    3. Het inleidend verzoek dient te zijn voorzien van een dagtekening, vermeldt om welk te nemen besluit van de raad het gaat en wordt vergezeld van de verzamelde steunbetuigingen.
    4. Steunbetuigingen worden geplaatst op daartoe van gemeentewege verstrekte lijsten en dienen vergezeld te gaan van een handtekening van elke verzoeker, met een opgave van diens naam, adres, woonplaats en geboortedatum.
    5. Kiesgerechtigden waarvan deze gegevens niet conform het vierde lid zijn overgelegd, worden bij het bepalen van het aantal ondersteunende kiesgerechtigden niet meegerekend.
    6. Bij de toetsing of het verzoek voldoende wordt ondersteund, kan gebruik worden gemaakt van de methode met het trekken van een steekproef uit het bestand van handtekeningen, een en ander uit te voeren op de wijze als beschreven is in een door de burgemeester daartoe vast te stellen protocol.
    7. De raad beoordeelt of het inleidend verzoek voldoet aan het bepaalde in de voorgaande leden, en beslist, met inachtneming van artikel 3, tweede lid, onder m tot en met p, of over dat besluit een referendum kan worden gehouden.
    8. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt het concept-raadsbesluit waarop het referendumverzoek betrekking heeft in de vergadering van de raad plenair behandeld.
    9. De stemming over het concept raadsbesluit, zoals dat luidt na de verwerking van de aanvaarde amendementen, wordt aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop het referendum wordt gehouden, tenzij eerder negatief over de ontvankelijkheid van het referendumverzoek wordt beslist.
    10. De voorzitter van de raad maakt het besluit inzake de toelating van het inleidend verzoek zo spoedig mogelijk openbaar op de in de gemeente gebruikelijk wijze.

    Artikel 5 Het raadgevend referendum: definitief verzoek

    1. De initiatiefnemer kan bij de voorzitter van de raad een definitief verzoek indienen voor het houden van een raadgevend referendum binnen zes weken na de dag waarop de voorzitter van de raad bekend heeft gemaakt dat het inleidend verzoek aan de gestelde eisen voldoet en dat over dat besluit een referendum kan worden gehouden.
    2. Het definitieve verzoek moet worden ondersteund door een aantal kiesgerechtigden dat tenminste gelijk is aan 6% van het aantal kiesgerechtigden bij de laatst gehouden verkiezing van de leden van de raad.
    3. Kiesgerechtigden die het inleidende verzoek schriftelijk hebben ondersteund, worden geacht het definitieve verzoek te ondersteunen.
    4. Op het verzamelen van steunbetuigingen voor definitieve verzoeken, zijn artikel 4, derde, vierde, vijfde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.
    5. De voorzitter van de raad neemt uiterlijk binnen vier weken na de dag van ontvangst van het definitieve verzoek een besluit over de toelating van het definitieve verzoek.
    6. De voorzitter van de raad maakt het besluit inzake de toelating van het definitieve verzoek zo spoedig mogelijk openbaar op de in de gemeente gebruikelijk wijze.
      Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen over het raadplegend referendum
      Artikel 6 Het raadplegend referendum, initiatief van de raad
    7. De raad kan voor een groot vraagstuk een startdocument vaststellen. In het startdocument worden probleemstelling en een beeld van de oplossingsrichting(en) beschreven. Het startdocument bevat tevens een communicatieparagraaf. Hierin wordt onder andere aangegeven op welke wijze de objectieve, informatieverstrekkende voorlichting inhoudelijk en financieel vorm wordt gegeven en op welke wijze daarnaast inhoudelijk en/of financieel invulling wordt gegeven aan standpuntuitdragende campagnes.
    8. De raad kan besluiten dat op basis van het startdocument een referendum wordt gehouden.
    9. Op een zodanig referendum is het bepaalde in de artikelen 4 en 5 niet van toepassing.
    10. Bij de vaststelling van het startdocument door de gemeenteraad, kunnen individuele raadsleden een uitspraak doen over hoe zij denken om te gaan met de uitslag van een referendum.
    11. Een raadplegend referendum kan worden beperkt tot een deelgebied binnen de gemeente, indien de aangelegenheid slechts dat deel van de gemeente betreft en het te nemen besluit buiten dat gebied geen effecten kan hebben.
      Hoofdstuk 3. Verdere procedure
      Artikel 7 Datum referendum
    12. Het college van burgemeester en wethouders stelt de dag vast waarop het referendum wordt gehouden, met dien verstande dat het referendum niet later plaats vindt dan uiterlijk vier maanden nadat de raad besloten heeft tot het houden van een referendum.
    13. In het geval de in het eerste lid genoemde termijn van vier maanden afloopt binnen twee maanden voor een algemene verkiezing mag de termijn worden overschreden zodat de stemmingen kunnen worden gecombineerd.
    14. Een referendum vindt niet plaats in de voor de regio aangewezen schoolvakanties voor het basis- en voortgezet onderwijs.
    15. Er kunnen meer referenda op dezelfde dag worden gehouden.
      Artikel 8 Vraagstelling
    16. De raad stelt de vraagstelling en de antwoordcategorieën van het referendum vast.
    17. De vraagstelling wordt aan het adres van de kiesgerechtigden bezorgd.
      Artikel 9 Organisatie en uitvoering
    18. De burgemeester doet openbare kennisgeving van een besluit tot het houden van een referendum.
    19. De op de te nemen beslissing betrekking hebbende stukken liggen voor een ieder ter inzage op door de burgemeester aan te wijzen plaatsen. In de openbare kennisgeving wordt daarvan mededeling gedaan.
    20. Bij de organisatie en uitvoering van een referendum is de Kieswet voor zoveel mogelijk van
      overeenkomstige toepassing.
      Artikel 10 Procedure stemming
    21. Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het gehele grondgebied van de
      gemeente Lelystad.
    22. Indien op grond van artikel 6, vijfde lid een raadplegend referendum wordt beperkt tot een deelgebied binnen de gemeente, dan wordt het bepaalde in deze verordening gerelateerd aan de kring van kiesgerechtigden binnen dat gebied.
      Artikel 11 Geldigheid referendum en inhoud uitslag
    23. Een referendum is geldig, indien tenminste 30% van de kiesgerechtigden opkomt. De
      keuzemogelijkheid welke de meeste stemmen heeft gekregen wordt als referendumuitspraak
      vastgesteld.
    24. De raad is niet gebonden aan een referendumuitspraak.

    Hoofdstuk 4. Advisering en toezicht; de Referendumcommissie
    Artikel 12 Referendumcommissie

    1. De raad kan zich o.a. bij het vaststellen van de vraagstelling laten adviseren door een (ad hoc-) commissie.
    2. De raad stelt deze commissie in en benoemt en ontslaat haar leden.

    Hoofdstuk 5. Straf- en slotbepalingen
    Artikel 13 Strafsanctie
    Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft
    degene die:
    a. een volmachtbewijs, oproepingskaart of kiezerspas namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander te doen gebruiken;
    b. een volmachtbewijs, oproepingskaart of kiezerspas die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door een ander doet gebruiken, dan wel deze met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander te doen gebruiken, in voorraad heeft;
    c. een volmachtbewijs, oproepingskaart of kiezerspas voorhanden heeft met het oogmerk deze
    wederrechtelijk te gebruiken of door een ander te doen gebruiken;
    d. als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden.
    Artikel 14 Inwerkingtreding
    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van haar bekendmaking.
    Artikel 15 Citeertitel
    Deze verordening wordt aangehaald als: Referendumverordening Lelystad.

  14. 18

    Besluit

    1. Kennis te nemen van de uitkomsten van de tussenbalans ‘Afvalbeleid gemeente Lelystad 2012-2015’;
    2. Kennis te nemen van de ontwikkelingen op gebied van afvalbeheerbeleid;
    3. Voor het ontwikkelen van het afvalbeheerbeleid te kiezen voor de ontwikkelrichting ‘Van Afval Naar Grondstof in Lelystad’, oftewel 75% afvalscheiding in 2020 met maximaal 100 kg restafval per inwoner.
    4. De aanvullende kosten die moeten worden gemaakt om besluitpunt 3 te kunnen realiseren mogen niet meer bedragen dan de hoogte van het financiële voordeel dat wordt gerealiseerd door de vermindering van de hoeveelheid aangeboden restafval de opbrengsten van overige reststromen worden meegenomen (kostenneutraal) in de periode van 4 jaar te rekenen vanaf 2017.
    5. De maatregelen, bedoeld om besluitpunt 3 te kunnen realiseren, zullen door de raad apart worden vastgesteld. Daartoe zullen de maatregelen als onderdeel van het afvalbeheerplan in de eerste helft van 2016 aan de raad ter vaststelling worden voorgelegd.
  15. 19
    Gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen (art. 37 RvO).
  16. 20

  17. 24

    Bijlagen