- Locatie
Raadzaal
- Toelichting
-
Gemeenteraad 20-12-2016
Uitzending
Agendapunten
-
1Verklaring der letters: (B) = beeldvormende vergadering (O) = oordeelvormende vergadering
-
218.45 - 19.00 uur Ontvangst met koffie (Burgerzaal)
-
3
Bijlagen
-
4
Bijlagen
-
5
Bijlagen
-
620.45 - 21.00 uur Pauze
-
721.00 - 23.00 uur Besluitvormende raadsvergadering
-
8
Bijlagen
-
9Opening
-
10
Bijlagen
-
11Mededelingen
-
12
Bijlagen
-
13
Bijlagen
-
14Vaststellen A-stukken
-
15
Bijlagen
Besluit
- Vast te stellen de navolgende
VERORDENING op de heffing en de invordering van bedrijveninvesteringszone Larserpoort 2017 (Verordening BIZ-Larserpoort Lelystad 2017).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a. Bedrijveninvesteringszone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente Lelystad waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. De BI-zone is het gebied Larserpoort dat begrensd wordt door de Pascallaan, Larserpoortweg, Albert Einsteinweg, Niels Bohrweg, James Wattlaan, Kamerlingh Onneslaan, Archimedeslaan en Celciusweg. Deze begrenzingen maken deel uit van de BI-zone. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart (bijlage 1);
b. BIZ-wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones;
c. Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad;
c. Stichting: Stichting BIZ-Larserpoort
d. Subsidie: een subsidie zoals bedoeld in artikel 7 van de BIZ-wet.
e. Subsidiebeschikking: de beschikking waarmee de subsidie wordt verleend.
f. Uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Lelystad en de Stichting BIZ Larserpoort gesloten uitvoeringsovereenkomst;
Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting- Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.
- De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.
Artikel 3 Belastingobject
Belastingobject is de onroerende zaak bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Belastingplicht - De BIZ-bijdrage wordt geheven van de eigenaar, zijnde degene die bij het begin van het
kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de
bedrijveninvesteringszone gelegen belastingobject.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 5 Maatstaf van heffing
De BIZ-bijdrage wordt geheven naar een vast bedrag per belastingobject.
Artikel 6 Vrijstellingen
Er wordt geen vrijstelling verleend met betrekking tot de heffing van de BIZ-bijdrage.
Artikel 7 Tarief BIZ-bijdrage
Het tarief van BIZ-bijdrage bedraagt, voor de eigenaar, per belastingobject: € 3.100.
Artikel 8 Wijze van heffing
De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Termijnen van betaling - In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.
Artikel 10 Looptijd belastingheffing
De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van 5 jaar.
Artikel 11 Nadere regels door het college
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ- bijdrage.
Artikel 12 Verhouding Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad - De Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad is van toepassing op subsidie die op grond van artikel 7 van de BIZ-wet door het college kan worden verstrekt.
- Voor zover deze verordening afwijkt van de Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad dan wel toepassing van de Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad en bijbehorende besluiten strijdig zou zijn met deze verordening, prevaleert hetgeen in deze verordening is bepaald.
Artikel 13 Aanwijzing stichting
De Stichting BIZ-Larserpoort wordt aangewezen als stichting als bedoeld in artikel 7 van de BIZ-wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht.
Artikel 14 Subsidie aanvraag - De subsidie wordt jaarlijks verleend aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Subsidiebeschikking en Uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag.
- Een aanvraag om een subsidie kan worden ingediend vanaf 1 augustus tot uiterlijk 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
- In afwijking van lid 2 dient een aanvraag om subsidie voor 2017 ingediend te worden binnen 4 weken nadat deze verordening in werking is getreden.
- In afwijking van lid 2 dient voor zover deze verordening op 1 augustus 2017 of 1 augustus van een daaropvolgend jaar nog niet in werking is getreden, een aanvraag om subsidie voor het daaropvolgende jaar te worden ingediend binnen 4 weken nadat deze verordening in werking is getreden.
- Een aanvraag om subsidie die betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de verordening in werking is getreden, wordt afgewezen.
Artikel 15 Subsidieverlening - De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen. Het college brengt voor de inning van de heffing geen kosten in rekening.
- Verrekening als gevolg van vermindering van de BIZ-bijdrage en eventueel oninbaarheid van openstaande vorderingen kunnen leiden tot het vaststellen een lager subsidiebedrag. In afwijking van lid 1 kan er voor gekozen worden om subsidie voor meerdere jaren te verlenen, met een maximum van vijf jaar.
- Een meerjarige subsidie wordt verleend onder het voorbehoud dat jaarlijks BIZ-bijdragen worden ontvangen.
Artikel 16 Melding van relevante wijzigingen
De Stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van:
a. meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie;
b. een wijziging van de statuten;
c. verandering of beëindiging van activiteiten.
Artikel 17 Inwerkingtreding en citeertitel - Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de BIZ-wet is gebleken.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening BIZ-Larserpoort Lelystad 2017’;
- Kennis te nemen van de uitvoeringsovereenkomst BIZ-Larserpoort, alsmede het draagvlakreglement.
- Vast te stellen de navolgende
-
16
Bijlagen
Besluit
Zienswijze toetreding GGD Flevoland tot coöperatie JGZ Almere
- Kennis te nemen van de concept oprichtingsakte van de coöperatie JGZ Almere U.A.;
- De onderstaande wensen en bedenkingen ten aanzien van de oprichting van en deelneming in de coöperatie JGZ Almere U.A. door de GGD Flevoland in te dienen:
a. De brief van de gemeente Almere, die u als bijlage bij uw bovengenoemde brief hebt gevoegd, is voor ons een gewenste bevestiging dat de risico’s die voortvloeien uit de plustaak JGZ overeenkomstig artikel 4, lid 5 en verder juncto artikel 23 lid 4 van de GR GGD Flevoland 2016 volledig ten laste komen van de gemeente Almere. Wij constateren bovendien dat mogelijke frictiekosten bij de uittreding uit de coöperatie op basis van de GR GGD Flevoland weliswaar deels ten laste van de GR, maar nooit ten laste van de andere deelnemers van de GR. Dit maakt dat wij erop vertrouwen dat de gemeente Almere volledig verantwoordelijk is voor alle financiële, juridische en personele consequenties die mogelijk voortvloeien uit deze plustaak, dus ook voor de risico’s die gekoppeld zijn aan het feit dat de GGD bestuurder van deze coöperatie wordt, zoals bestuurdersaansprakelijkheid.
b. In de concept oprichtingsakte is opgenomen dat het bestuur van de coöperatie bevoegd is om te beslissen over de toetreding van nieuwe leden. Op het moment van oprichting van de coöperatie heeft deze twee leden, namelijk de GGD en de Stichting Zorggroep Almere, die gezamenlijk ook het bestuur vormen. Het is niet ondenkbaar dat in de toekomst derden ook lid zullen worden van de coöperatie hetgeen ook gevolgen kan hebben voor de samenstelling van het bestuur. Daardoor kan de situatie ontstaan dat de GGD geen dan wel beperktere invloed krijgt op toetreding van nieuwe leden. Met het oog op het publiekrechtelijke karakter van de GGD kan dit tot een onwenselijke situatie leiden. Om die reden vragen wij uw bestuur te bezien of het mogelijk is dat de GGD altijd (enige) invloed houdt op de toetreding van nieuwe leden tot de coöperatie. Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn de (concept)oprichtingsakte zodanig aan te passen dat een besluit van het bestuur tot toetreding van nieuwe leden de goedkeuring van de Algemene ledenvergadering behoeft.
c. De oprichting van de coöperatie mag niet betekenen dat andere deelnemers van de GR hun JGZ taken ook bij de coöperatie moeten onderbrengen. Het onderbrengen van JGZ taken door andere deelnemers van de GGD bij de coöperatie dient te allen tijde op vrijwillige basis te geschieden.
d. Tenslotte gaan wij er vanuit dat de continuïteit van de kernorganisatie en de kwaliteit van de dienstverlening van de GGD niet lijden onder de uitvoering van deze grote plustaak.
-
17
Bijlagen
Besluit
- de Parkeerverordening Lelystad 2017 vast te stellen.
PARKEERVERORDENING LELYSTAD 2017.
AFDELING I. DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
ARTIKEL 1
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
b. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van
brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990;
c. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande gebouwde en ongebouwde voorzieningen, terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
d. houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;
e. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van verzamel-parkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeer-apparatuur wordt verstaan;
f. parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats ten aanzien waarvan het parkeren geregeld wordt door parkeerapparatuur;
g. belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 of E11 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 of E11 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;
h. vergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen, gedurende een bepaalde periode;
i. abonnement: een door het college van burgemeester en wethouders verleend abonnement, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren in een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeergarage of op een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeerterrein, gedurende een bepaalde periode;
j. parkeerbundel: een door het college van burgemeester en wethouders verleend abonnement, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren in een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeergarage of op een daartoe aangewezen met een slagboom afgesloten parkeerterrein, waarbij maandelijks een bepaald aantal uren mag worden geparkeerd, waarbij de parkeertijd buiten dit abonnement wordt verrekend tegen het reguliere tarief;
k. parkeerkraskaart: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen in het op de parkeerkraskaart aangegeven gebied, gedurende een dag die op de parkeerkraskaart is opengekrast;
l. barcodedagkaart: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen, gedurende een vooraf aangegeven dag;
m. bezoekersdagvergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen voor maximaal een dag een motorvoertuig te parkeren als bezoeker van een bewoner, die woonachtig is in een gebied waar sprake is van parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;
n. uitrijkaart: een door het college van burgemeester en wethouders verleende kaart die het eenmalig uitrijden van een parkeergarage of een parkeerterrein mogelijk maakt;
o. dag: periode van 00.00 uur tot 24.00 uur;
maand: een kalendermaand;
kwartaal: drie aaneengesloten kalendermaanden;
jaar: de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 maart van het daaropvolgende jaar;
p. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;
q. abonnementhouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een abonnement is verleend;
r. autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden;
s. autodateplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodate;
t. gehandicaptenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het RVV 1990.
AFDELING II. PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN, VERGUNNINGBEWIJZEN EN ABONNEMENTEN
ARTIKEL 2- Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten en/of gebieden aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college van burgemeester en wethouders kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3.
- Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, met een slagboom afgesloten parkeergarages of parkeerterreinen aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren voor abonnementhouders. Het college van burgemeester en wethouders kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3.
- Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, met een slagboom afgesloten parkeergarages of parkeerterreinen aanwijzen waar het gebruik van uitrijkaarten mogelijk is. Het college van burgemeester en wethouders kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3.
- Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders, danwel abonnementhouders is toegestaan.
ARTIKEL 3 - Het college van burgemeester en wethouders kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning, abonnement of uitrijkaart verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen.
- Het college van burgemeester en wethouders kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning, abonnement of uitrijkaart.
- Het college van burgemeester en wethouders kan de volgende parkeerproducten verlenen:
a. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn een vergunning of abonnement, te noemen bewonersvergunning / bewonersabonnement verlenen (categorie I):
- het aantal te verlenen bewonersvergunningen / bewonersabonnementen, wordt verminderd met het aantal bij de woning behorende of zich op het grondgebied van de woning bevindende dan wel op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins ter beschikking van de bewoner staande stallingsplaatsen, gelegen binnen het vergunninggebied waarin aanvrager woonachtig is;
- per woonadres worden maximaal twee bewonersvergunningen / bewonersabonnementen verstrekt.
b. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn een vergunning of abonnement, te noemen bedrijfsvergunning / bedrijfsabonnement verlenen (categorie II): - het aantal te verlenen bedrijfsvergunningen / bedrijfsabonnementen wordt verminderd met het aantal bij het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende dan wel op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins ter beschikking van het bedrijf staande stallingsplaatsen, gelegen binnen het vergunninggebied / abonnementsgebied waarin aanvrager gevestigd is;
- per bedrijf worden, binnen de gebieden met betaald parkeren, maximaal twee bedrijfsvergunningen / bedrijfsabonnementen verstrekt.
c. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate, waarvan de autodateplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders/ abonnementhouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn een vergunning of abonnement verlenen (categorie III).
d. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig een vergunning, abonnement of uitrijkaart verlenen (categorie IV): - een vergunning kan alleen worden afgegeven voor de gebieden waar vooraf betaald parkeren is ingevoerd en/of belanghebbendenplaatsen zijn ingericht;
- een abonnement, waaronder ook parkeerbundels worden verstaan, of uitrijkaart kan alleen worden afgegeven voor de gebieden waar achteraf betaald parkeren is ingevoerd, met uitzondering van de parkeerterreinen bij Bataviastad en de VOC-garage.
e. het college van burgemeester en wethouders kan aan een bewoner woonachtig in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn, ten behoeve van het parkeren van een motorvoertuig binnen dit gebied door een persoon die hem of haar bezoekt een vergunning in de vorm van een parkeerkraskaart, een bezoekersdagvergunning, een bezoekersvergunning of barcodedagkaart verlenen (categorie V).
– per woonadres worden maximaal twee bezoekersvergunningen verstrekt.
f. het college van burgemeester en wethouders kan aan een instelling of persoon die zorg verleent binnen Lelystad en eigenaar of houder is van een motorvoertuig en die voor die zorgverlening structureel één of meer motorvoertuigen moet bezigen, voor het parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen een vergunning of abonnement, te noemen zorgvergunning / zorgabonnement, verlenen (categorie VI).
g. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die als vrijwilliger werkzaam is voor de Bataviawerf, het Nieuwland Erfgoedcentrum en/of de KNRM een abonnement verlenen (categorie VII).
h. het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in De Stelling of die daar een beroep of bedrijf uitoefent een vergunning, te noemen een bewonersvergunning / bedrijfsvergunning De Stelling, verlenen (categorie VIII): - het aantal te verlenen bewonersvergunningen / bedrijfsvergunningen De Stelling wordt verminderd met het aantal bij de woning/ het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van de woning/ het bedrijf bevindende dan wel op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins ter beschikking van de bewoner/ het bedrijf staande stallingsplaatsen, gelegen in De Stelling;
- per adres in De Stelling worden maximaal twee bewonersvergunningen / bedrijfsvergunningen De Stelling verstrekt.
i. het college van burgemeester en wethouders kan aan een bewoner woonachtig op een adres in De Stelling of een bedrijf gevestigd in De Stelling en die voor zijn/haar bezoek een vergunning wenst te gebruiken een vergunning, te noemen een bezoekersvergunning De Stelling, verlenen (categorie IX): - per adres in De Stelling worden maximaal twee bezoekersvergunningen De Stelling verstrekt.
j. Het college van burgemeester en wethouders kan aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent op een schip, dat is gelegen in de Bataviahaven en waarvoor een zomerabonnement dan wel een winterabonnement als bedoeld in de vigerende Verordening liggelden Bataviahaven is verstrekt, een vergunning, te noemen een vergunning Havendam Bataviahaven, verlenen (categorie X): - per schip worden maximaal twee vergunningen Havendam Bataviahaven afgegeven;
- een vergunning Havendam Bataviahaven is alleen geldig gedurende de periode dat het schip waarvoor die vergunning is afgegeven in de Bataviahaven is gelegen;
- de geldigheidsduur van een vergunning Havendam Bataviahaven voor een schip is gekoppeld aan de geldigheidsduur van het zomerabonnement dan wel het winterabonnement als bedoeld in de vigerende Verordening liggelden Bataviahaven dat is afgegeven voor dat schip.
- De eigenaar of houder van een motorvoertuig die voldoet aan zowel de onder 3a. als onder 3b. genoemde voorwaarden wordt geacht te beantwoorden aan de onder 3a. genoemde voorwaarden.
- Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen een vergunning, een abonnement of uitrijkaart verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.
- Aan de vergunning, het abonnement of de uitrijkaart kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop deze parkeerproducten van kracht zijn.
- Het college van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, het maximum aantal uit te geven vergunningen, abonnementen of uitrijkaarten, per aaneengesloten gebied en per categorie aanpassen dan wel vaststellen.
- Het college van burgemeester en wethouders kan aan een vergunning, abonnement of uitrijkaart voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte, bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.
ARTIKEL 4 - Het college van burgemeester en wethouders beslist binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning, abonnement of uitrijkaart.
- Het college van burgemeester en wethouders kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste acht weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.
ARTIKEL 5 - Een vergunning of abonnement wordt per jaar dan wel een gedeelte van een jaar (maand of kwartaal) verleend.
- Een vergunning of abonnement bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. het gebied waarvoor de vergunning/ het abonnement geldt;
b. de periode waarvoor de vergunning/ het abonnement geldt;
c. de naam van de vergunninghouder/ abonnementhouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning of het abonnement is verleend. - De parkeerkraskaart bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. het gebied waarvoor de parkeerkraskaart geldt;
b. de dag waarvoor de parkeerkraskaart geldt zoals die open is gekrast.
ARTIKEL 6
Het college van burgemeester en wethouders kan een vergunning, abonnement of uitrijkaart intrekken of wijzigen:
a. op aanvraag van de vergunninghouder, abonnementhouder of houder van een uitrijkaart;
b. wanneer de vergunninghouder of abonnementhouder niet meer woonachtig is of geen
beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend;
c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren
voor het verlenen van de vergunning, het abonnement of de uitrijkaart;
d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen of abonnementen komt te vervallen;
e. wanneer voor het betreffende gebied het gebruik van uitrijkaarten niet langer wordt toegestaan;
f. wanneer de vergunninghouder, abonnementhouder of houder van een uitrijkaart niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor deze parkeerproducten heeft voldaan;
g. wanneer de vergunninghouder, abonnementhouder of houder van een uitrijkaart handelt in strijd met de aan deze parkeerproducten verbonden voorschriften;
h. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning, het abonnement of uitrijkaart onjuiste gegevens zijn verstrekt;
i. wanneer de vergunninghouder, abonnementhouder of houder van een uitrijkaart dit parkeerproduct vervalst of ter vervalsing heeft aangeboden dan wel sprake is van een andere vorm van misbruik;
j. om redenen van openbaar belang.
AFDELING III. VERBODSBEPALINGEN
ARTIKEL 7 - Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats of een autodateplaats slechts aan vergunninghouders of abonnementhouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:
a. zonder vergunning of abonnement;
b. zonder dat het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare vergunning;
c. in strijd met de aan de vergunning of het abonnement verbonden voorschriften. - Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.
ARTIKEL 8
Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.
ARTIKEL 9 - Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan:
a. op een parkeerapparatuurplaats;
b. op een belanghebbendenplaats. - Het is verboden een (brom)fiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij
parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. - Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.
AFDELING IV. STRAFBEPALING
ARTIKEL 10
Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie.
AFDELING V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
ARTIKEL 11
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen personen.
ARTIKEL 12
Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening Lelystad 2017.
ARTIKEL 13 - Deze verordening treedt, onder gelijktijdige intrekking van de Parkeerverordening Lelystad 2016 van 15 december 2015, in werking op 1 januari 2017.
- Besluiten, genomen krachtens de Parkeerverordening Lelystad 2016 van 15 december 2015 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
- de Parkeerverordening Lelystad 2017 vast te stellen.
-
18
Bijlagen
Besluit
VERORDENING op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2017
(Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2017).
Artikel 1 Belastingplicht- Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken een directe belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
- Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2 Belastingobject - Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
- Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing
- De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.
- Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen
- In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig
aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij de krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
k. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. - De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel k van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
Artikel 5 Belastingtarieven
- Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor de eigenarenbelasting:
a. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1972%;
b. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,7032%. - Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's.
- Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats.
Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 6 Wijze van heffing
De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt:
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand
volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.
Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2016” van 15 december 2015 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2017”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2017
(Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2017).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik;
b. woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden;
c. bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte.
Artikel 2 Belastingplicht
Onder de naam “belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten” worden ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten een directe belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
Artikel 3 Belastingobject
Als één ruimte wordt aangemerkt:
a. een binnen de gemeente gelegen ruimte;
b. een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
c. een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
d. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel c bedoeld samenstel.
Artikel 4 Maatstaf van heffing
- De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
- In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
a. de aard en de bestemming van de ruimte;
b. de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. - In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een bouwvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming.
- In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte.
- Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.
Artikel 5 Vrijstellingen
- In afwijking van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, de waarde van:
a. glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b. ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;
c. ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;
d. ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;
e. werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken.
Artikel 6 Waardepeildatum
- De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op 1 januari 2016 heeft.
- De heffingsmaatstaf vindt toepassing voor kalenderjaar 2017.
- De waarde van de ruimte wordt bepaald naar de staat waarin de ruimte op de waardepeildatum verkeert.
- Indien een ruimte tussen de waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar:
a. opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of
b. wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, of
c. een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid, wordt, in afwijking van het derde lid, de waarde bepaald naar de staat van die ruimte bij het begin van het kalenderjaar.
Artikel 7 Belastingtarieven
- Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor de eigenarenbelasting:
a. voor woonruimten 0,1972%;
b. voor bedrijfsruimten 0,7032%. - Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's.
- Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 8 Wijze van heffing
De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerst lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerst lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt:
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de belasting op roerende woon- of bedrijfsruimten.
Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2016” van 15 december 2015 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2017”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2017
(Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2017).
Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit
- Onder de naam afvalstoffenheffing wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33
van de Wet milieubeheer. - De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen
geheven terzake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de
artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van
huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 2 Belastingplicht
- De belasting wordt geheven van degenen die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld
al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maken van een
perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een
verplichting tot het inzamelen van huishoudelijk afvalstoffen geldt. - Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker door de in artikel 231, tweede
lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangemerkt:
a. bij gebruik door meer leden van een huishouden: een lid van een huishouden;
b. bij gebruik van delen van een perceel: degene die de delen van het perceel in gebruik heeft
gegeven;
c. bij ter beschikking stellen voor volgtijdig gebruik: degene die het perceel voor volgtijdig gebruik
ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief
-
De belasting bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt: a. door 1 persoon € 249,83; b. door 2 of meer personen € 295,28. -
Het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar. -
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht.
Artikel 4 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 5 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd
- De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang
van de belastingplicht. -
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. -
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. -
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
Artikel 7 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt :
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand
volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing.
Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2016” van 15 december 2015, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2017”.
Een amendement, ingediend door de fractie van VVD, wordt unaniem aangenomen en wijzigt de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2017 in zijn geheel.
VERORDENING op de heffing en de invordering van rioolheffing 2017
(Verordening rioolheffing Lelystad 2017).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;
b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling,
verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in
beheer of in onderhoud bij de gemeente;
c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
d. woning: een onroerende zaak als bedoeld in artikel 220a, lid 2 van de Gemeentewet met dien verstande dat daartoe ook die gedeelten van een onroerende zaak behoren die als perceel kunnen worden aangemerkt en waarvan de waarde ingevolge artikel 220e Gemeentewet buiten de heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelastingen worden gelaten;
e. niet-woning: elke onroerende zaak of zelfstandig gedeelte daarvan die niet als woning is aan te merken als voornoemd.
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor
de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijke afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de
zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater,
alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de
grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te
beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
- Onder de naam "rioolheffing" wordt geheven:
a. een heffing van de gebruiker van een perceel dat in gebruik of bestemd is als woning van
waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te
noemen: gebruikersdeel;
b. een heffing van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel. - Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt als gebruiker
aangemerkt:
a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht gebruikt;
b. ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. - Bij de gebruikersbelasting wordt:
a. gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;
b. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
c. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. - Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, ingeval het eigendomeen onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie
is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of
beperkt recht is.
Artikel 4 Zelfstandige gedeelten
Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.
Artikel 5 Belastingobject
- Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de
onroerende zaak, als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in
hoofdzaak tot woning dient en die niet is genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de Gemeente-
wet. - Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van
hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak,
niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot
woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief
- De belasting, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel a, bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt als woning:
a. door 1 persoon € 80,38;
b. door 2 personen € 111,51;
c. door 3 personen € 142,64;
d. door 4 of meer personen € 191,50. - Het aantal personen, als bedoeld in lid 1, dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld
naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar. - Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat
van een perceel gebruik maakt, als bedoeld in lid 1, vastgesteld naar de toestand op het tijdstip
van de aanvang van de belastingplicht. - De belasting, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel b, wordt geheven naar de waarde in het
economische verkeer van het eigendom als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken en bedraagt per belastingjaar voor een perceel die niet in hoofdzaak tot woning dient 0,0492%. - De belasting van niet-woningen wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de
Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het
kalenderjaar 2017. - Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van
gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
dienstbaar zijn aan woondoeleinden. - Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de eigenaar die het genot heeft van een perceel krachtens eigendom, bezit of beperkt recht vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht.
- Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikel 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 7 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd
- De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang
van de belastingplicht. - Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
- Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
- Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
Artikel 10 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt :
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand
volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.
Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening rioolheffing Lelystad 2016” van 15 december 2015, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing Lelystad 2017”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van marktgelden 2017
(Verordening marktgelden Lelystad 2017).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. standplaats : de op en voor de duur van een markt door het bevoegd gezag aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel;
b. vaste-standplaats : een standplaats die tot wederopzegging beschikbaar wordt gesteld;
c. dagplaats : een standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld;
d. standplaatshouder : ieder aan wie door het college van de gemeente Lelystad of de marktmeester het is toegestaan om gedurende een markt een standplaats te bezetten;
e. marktdag : de dag waarop de markt gehouden wordt, waarbij de voor de markt bestemde dagen afzonderlijk beschouwd worden;
f. weekmarkten : de markten die in de regel wekelijks op dinsdag en zaterdag worden gehouden in respectievelijk het “Lelycentre” en het “Stadshart”;
g. jaarmarkt : de in de regel in april van een jaar te houden jaarmarkt voor de verkoop van tuinartikelen en andere jaarmarkten;
h. een kwartaal : een kalenderkwartaal;
i. een halfjaar : een kalenderhalfjaar;
j. een jaar : een kalenderjaar.
Artikel 2 Aard van de heffing
Onder de naam van marktgeld wordt voor het innemen van een standplaats op een markt een recht geheven.
Artikel 3 Belastingplicht
Het marktgeld wordt geheven van degene die een standplaats op een markt inneemt.
Artikel 4 Maatstaf van heffing
- Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een weekmarkt wordt geheven over de
frontbreedte van de standplaats; deze frontbreedte wordt uitgedrukt in strekkende meters (m).
Indien de oppervlakte van de standplaats in vierkante meters meer bedraagt dan 5 maal de
frontbreedte, wordt voor iedere 5 vierkante meter overschrijding een extra strekkende meter in
rekening gebracht. - Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een jaarmarkt wordt geheven over het aantal vierkante meters (m2 ) dat de standplaats beslaat.
Artikel 5 Standplaatstarieven
- Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagstandplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 2,00 per strekkende meter met een minimum van € 8,00.
- Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een vaste-standplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan gedurende een tijdvak van:
a. een kwartaal: € 20,00 per strekkende meter, met een minimum van € 80,00;
b. een halfjaar: € 38,60 per strekkende meter, met een minimum van € 154,40;
c. een jaar: € 75,55 per strekkende meter, met een minimum van € 302,20. - Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagstandplaats op de zaterdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 3,25 per strekkende meter met een minimum van € 13,00.
- Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een vaste-standplaats op de zaterdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan gedurende een tijdvak van:
a. een kwartaal: € 35,00 per strekkende meter, met een minimum van € 140,00;
b. een halfjaar: € 67,20 per strekkende meter, met een minimum van € 268,80;
c. een jaar: €129,45 per strekkende meter, met een minimum van € 517,80.
Artikel 6 Heffingstijdvak voor vaste-standplaatshouders
- Het marktgeld van de vaste-standplaatshouders op de weekmarkten wordt geheven over een heffingstijdvak van een kwartaal, een halfjaar of een jaar en naar de daarbij in het tweede en vierde lid van artikel 5 vermelde tarieven.
- De keuze van het heffingstijdvak berust bij de belastingplichtige, die deze keuze ten minste drie weken voor de aanvang van het door hem gewenste heffingstijdvak schriftelijk aan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar moet mededelen.
- In het geval de mededeling bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet of niet tijdig wordt gedaan, wordt het marktgeld over een heffingstijdvak van een kwartaal geheven.
- Een eerder gekozen heffingstijdvak kan door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar op aanvraag van de belastingplichtige worden gewijzigd, mits de belastingplichtige dit drie weken vóór de aanvang van het nieuwe heffingstijdvak schriftelijk aanvraagt.
- Indien de belastingplicht van een vaste-standplaatshouder in de loop van het heffingstijdvak aanvangt, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel het marktgeld voor dat heffingstijdvak geheven naar de tarieven als vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5.
Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld
- Het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 is verschuldigd op het tijdstip waarop de standplaats wordt ingenomen.
- Het marktgeld vermeld in het tweede lid en vierde lid van artikel 5 is verschuldigd bij de aanvang
van een heffingstijdvak.
Artikel 8 Wijze van heffen
- Het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, (digitale) nota of andere schriftuur.
- Het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 wordt geheven bij wege van aanslag.
Artikel 9 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 worden betaald ingeval de kennisgeving:
a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving. - In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen van het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.
- De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden van dit artikel gestelde termijnen.
Artikel 10 Ontheffing
Indien de belastingplicht van een vaste-standplaatshouder in de loop van een heffingstijdvak eindigt, wordt ontheffing verleend van het voor dat tijdvak berekende marktgeld naar rato van het aantal
marktdagen dat na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht in dat tijdvak overblijft en het totaal aantal marktdagen in dat tijdvak.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college van de gemeente Lelystad kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de marktgelden.
Artikel 12 Kwijtschelding
Bij de invordering van de marktgelden wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening marktgelden Lelystad 2016” van 15 december 2015 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening marktgelden Lelystad 2017”.
REGELING tot vaststelling van de tarieven voor de huur van gemeentegrond door de
ambulante handel 2017 (Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2017).
Artikel 1 Omzetbelasting
- De bedragen van artikel 2, onderdeel 1 tot en met 6 zijn exclusief omzetbelasting.
- De bedragen van artikel 3, onderdeel 1 tot en met 5 zijn exclusief omzetbelasting.
Artikel 2 Tarieven - Het tarief voor de huur van een vaste-standplaats gedurende 1 dag in de week bedraagt per kwartaal:
in het Stadshart € 464,90;
in het Lelycentre € 352,00;
in de overige gebieden € 278,00. - Het tarief voor de huur van een vaste-standplaats gedurende meerdere dagen per week bedraagt per kwartaal:
in het Stadshart € 577,75;
in het Lelycentre € 464,90;
in de overige gebieden € 352,00. - Het tarief voor de huur van een standplaats voor de verkoop van oliebollen bedraagt per week:
in het Stadshart € 78,35;
in het Lelycentre € 59,40;
in de overige gebieden € 43,60. - Het tarief voor de huur van een standplaats voor de verkoop van kerstbomen bedraagt per in de daartoe verleende vergunning opgenomen periode:
in het Stadshart € 615,30;
in het Lelycentre € 461,95;
in de overige gebieden € 370,70. - Het tarief voor de huur van een standplaats door overige commerciële gebruikers bedraagt per dag:
in het Stadshart € 24,80;
in het Lelycentre € 20,30;
in de overige gebieden € 15,95. - Het tarief voor de huur van openbare grond ten behoeve van een particuliere markt gedurende 1
dag in de week bedraagt per kwartaal:
in het Stadshart € 464,90;
in het Lelycentre € 352,00;
in de overige gebieden € 278,80.
Artikel 3 Overige tarieven
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de dinsdagmarkt tot een bepaald vermogen
worden bij de houder van een vaste-standplaats per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het dagtarief in rekening wordt gebracht. Bij de houder van een dagplaats wordt het tarief per dag in rekening gebracht conform de onderstaande tarieven:- stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 1,80;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 3,60;
- stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 5,40;
- stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 7,20;
Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de zaterdagmarkt tot een bepaald vermogen
worden bij de houder van een vaste-standplaats per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het dagtarief in rekening wordt gebracht. Bij de houder van een dagplaats wordt het tarief per dag in rekening gebracht conform de onderstaande tarieven:- stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,80;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,60;
- stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,40;
- stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,20;
Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17van de vigerende Algemene plaatselijke verordening tot een bepaald vermogen worden per dag bij de afnemer als volgt in rekening gebracht, met een maximum tarief van twee dagen per locatie per week:
- stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,80;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,60;
- stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,40;
- stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,20;
Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom voor incidentele standplaatsen en evenementen als bedoeld in artikel 5:17 van de vigerende Algemene plaatselijke verordening worden per stroomkast bij de afnemer als volgt in rekening gebracht:
- per evenement/vergunning voor het openen en sluiten van een stroomkast: € 25,00;
- per dag voor het stroomverbruik tot 4000 watt: € 11,20;
- per extra 1000 watt of deel daarvan: € 5,60.
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom ten behoeve van een particuliere markt
worden bij de houder van de marktorganisatievergunning per kwartaal in rekening gebracht,
waarbij voor een kwartaal 12 maal het onderstaande dagtarief in rekening wordt gebracht.- stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,80;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,60;
- stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,40;
- stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,20;
Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
Artikel 4 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Tarievenregeling ambulante handel 2016” van 15 december 2015 en de 1e wijziging van de regeling tot vaststelling van de tarieven voor de huur van gemeentegrond door de ambulante handel 2016 van 15 maart 2016 worden ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2017.
- De tarieven uit dit besluit zullen gelden met ingang van 1 januari 2017.
- Dit besluit kan worden aangehaald als “Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2017”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van leges 2017
(Legesverordening Lelystad 2017).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a. “dag” : de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt;
b. “week” : een aaneengesloten periode van zeven dagen;
c. “maand” : het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalendermaand tot en met de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand;
d. “jaar” : het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalenderjaar tot en met de
(n-1)e dag in het volgende kalenderjaar;
e. “kalenderjaar” : de periode van 1 januari tot en met 31 december.
Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam “leges” worden rechten geheven terzake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
Artikel 3 Belastingplicht
Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.
Artikel 4 Vrijstellingen
Leges worden niet geheven voor:
a. diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald;
b. het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogen.
Artikel 5 Tarieven
- De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
- Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een project-uitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het
project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet. - Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 6 Wijze van heffing
De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur.
Artikel 7 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6:
a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 8 Kwijtschelding
Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9 Teruggaaf
- Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges terzake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling.
- Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 wordt de teruggaaf van leges, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een vermindering van de belastingaanslag.
Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college van de gemeente Lelystad kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges.
Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel
- De Legesverordening Lelystad 2016 van 15 december 2015 en de 1e wijziging van de tarieventabel behorende bij de verordening op de heffing en de invordering van leges 2016 van 15 maart 2016 worden ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Legesverordening Lelystad 2017”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2017
(Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2017).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a. begraafplaats : de algemene begraafplaats te Lelystad;
b. eigen graf : een graf, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:- het doen begraven en begraven houden van overledenen;
- het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
c. algemeen graf : een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder de gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van overledenen;
d. eigen urnengraf : een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten of bijgezet houden van twee asbussen met of zonder urnen;
e. algemeen urnengraf : een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of zonder urnen;
f. asbus : een bus ter berging van de as van een overledene;
g. urnennis : een nis, waarvoor voor onbepaalde tijd het recht is verkregen tot het doen bijzetten of bijgezet houden van asbussen of urnen;
h. urn : een voorwerp ter berging van één of meer asbussen;
i. verstrooiingsplaats : een permanent daartoe bestemd terrein waarop as wordt verstrooid, dan wel een plaats waar voor bepaalde of onbepaalde tijd het recht is verleend om as te doen verstrooien;
j. wandgraf : een bovengronds graf in een daartoe bestemde wand op de
begraafplaats waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het begraven van een overledene;
k. jaar : een periode van 365 dagen.
Artikel 2 Belastbaar feit
Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats.
Artikel 3 Belastingplicht
De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Artikel 4 Vrijstelling
De rechten worden niet geheven voor het begraven van doodgeboren kinderen of van overleden zuigelingen die met de overleden moeder in één kist worden begraven of gecremeerd.
Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 6 Belastingtijdvak
- Het belastingtijdvak voor de rechten genoemd in hoofdstuk 2, de onderdelen 2.1, 2.1.1, 2.1.2, 2.1.3 en 3.5 van de tarieventabel is gelijk aan de periode waarover wordt afgekocht.
- Na afloop van deze belastingtijdvakken worden de vorenbedoelde rechten niet opnieuw geheven.
Artikel 7 Wijze van heffing
De rechten worden geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld
De rechten zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening, bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen of bij de aanvang van het belastingtijdvak.
Artikel 9 Termijn van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden
betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.
Artikel 10 Kwijtschelding
Bij de invordering van de lijkbezorgingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rechten.
Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2016” van 15 december 2015, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2017”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2017
(Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2017).
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. parkeren:
het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
b. motorvoertuigen:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen;
c. houder:
degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aan te houden register van opgegeven kentekens (Kentekenregister) als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;
d. parkeerapparatuur:
parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
e. centrale computer:
computer van het bedrijf waarmee de gemeente Lelystad een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel;
f. vergunning:
een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren zoals bepaald in de vigerende Parkeerverordening;
g. abonnement: een van gemeentewege verleend abonnement, voor het parkeren zoals bepaald in de vigerende Parkeerverordening.
Artikel 2. Belastbaar feit
Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting terzake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
b. een belasting terzake van een van gemeentewege verleende vergunning/verleend abonnement voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning/dat abonnement aangeven plaats en wijze.
Artikel 3. Belastingplicht
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.
- Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:
a. degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te
willen voldoen;
b. zolang geen voldoening van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, heeft plaats-
gevonden: de houder van het voertuig met dien verstande dat:- indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;
- indien blijkt dat een ander in het Kentekenregister als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd.
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op grond van
het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt,
indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het
voertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. - De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning/het abonnement heeft aangevraagd.
Artikel 4. Vrijstellingen
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren van een motorvoertuig op de
parkeerlocatie wordt niet geheven van een houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart,
indien deze kaart duidelijk zichtbaar achter het voorraam is geplaatst. - In afwijking van het bepaalde in het vorige lid geldt de genoemde vrijstelling niet in parkeer-
garages of bij parkeren achter slagbomen.
Artikel 5. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak
De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze
verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieven- en kostentabel.
Artikel 6. Wijze van heffing
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.
Als voldoening op aangifte wordt in dit geval aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in
werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van
de door het college gestelde voorschriften. - De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.
Artikel 7. Ontstaan van de belastingschuld
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren,
tenzij bij de aanvang van het parkeren het in werking stellen van de centrale parkeerapparatuur geschiedt door het halen van een toegangskaartje waarvoor na afloop van het parkeren betaald moet worden of door het inloggen via een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel op de centrale computer. - De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning/het abonnement wordt verleend.
- Indien de belastingplicht in de loop van een in artikel 1 van de bij deze verordening behorende en
daarvan deel uitmakende Tarieven- en kostentabel genoemd tijdvak eindigt, bestaat aanspraak
op ontheffing voor zoveel volle kalendermaanden als er in dat tijdvak
op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog resteren. De over deze resterende volle
kalendermaanden betaalde belasting wordt op verzoek gerestitueerd, voor zover het te
restitueren bedrag hoger is dan € 50,00.
Artikel 8. Termijnen van betaling
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet worden betaald bij de aanvang van het
parkeren. - In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting worden betaald vóór het
verlaten van het terrein, waarbij betaling plaatsvindt met behulp van het toegangskaartje in de
centrale parkeerapparatuur te stoppen. - Indien het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via een mobiele telefoon of
een ander communicatiemiddel moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald
binnen één maand na het einde van het parkeren. - De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald
op het tijdstip waarop de vergunning/het abonnement wordt verleend. - Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 9. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen
De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar te maken besluit.
Artikel 10. Kosten
De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 61,00.
Artikel 11. Kwijtschelding
Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12. Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de
parkeerbelasting.
Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2016” van 15 december 2015 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2017”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van de
liggelden Bataviahaven 2017
(Verordening liggelden Bataviahaven 2017).
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Schip
Elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; onder vaartuig wordt mede verstaan drijvende werktuigen, zoals kranen, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard, alsmede glijboten en ponten.
Passagiersvaartuig
Elk schip, dat door de eigenaar bestemd is om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip, dat meer dan twaalf passagiers vervoert, veerboten daaronder begrepen.
Charterschip
Een passagiersvaartuig dat door de eigenaar is bestemd om meer dan twaalf passagiers te vervoeren of meer dan twaalf passagiers vervoert en dat daadwerkelijk en aantoonbaar wordt gebruikt ten behoeve van de beroepsmatige chartervaart en waarvan de gezagvoerder/eigenaar/reder als charterondernemer staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat is te boek gesteld overeenkomstig artikel 785 van boek 8 Burgerlijk Wetboek en waarvoor een Certificaat van Onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Binnenvaartwet of Certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Schepenwet is afgegeven en waarvan de gezagvoerder/eigenaar/reder heeft voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 36 lid 2 van de Binnenvaartwet.
Pleziervaartuig
Een schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor niet-bedrijfsmatige, sportieve of recreatieve doeleinden. Onder niet-bedrijfsmatig wordt tevens verstaan het al dan niet structureel tegen betaling of enige andere tegenprestatie vervoeren van 12 of minder passagiers.
Charterjacht
Een pleziervaartuig dat gebruikt wordt door een natuurlijke persoon die niet de eigenaar van dat jacht is, maar dat tegen betaling in gebruik heeft van een derde, terwijl de gebruiker zelf optreedt als gezagvoerder op dat jacht en de derde van die verhuur zijn beroep of bedrijf heeft gemaakt, een en ander blijkend uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het feit dat het jacht daadwerkelijk en aantoonbaar voor dat doel wordt gebruikt.
Passanten
Belastingplichtigen voor ligplaatsen waarvoor geen abonnement is afgegeven ten behoeve van het schip waarmee ligplaats wordt ingenomen en die geen deelnemer aan een evenement zijn of dat evenement op een of andere wijze met een schip faciliteren.
Haven
Het water, gelegen in de gemeente Lelystad tussen het Schoonzicht en de wegen, de steigers en de kunstwerken, welke vanaf het Schoonzicht in zuid-westelijke richting zijn aangebracht, welke tezamen een dam vormen, met inbegrip van die dam, een strook water in het Oostvaardersdiep ter breedte van 20 meter ten noordwesten van die dam en de bij, op of aan die dam aangebrachte werken en voorzieningen, alsmede de monding van die haven met inbegrip van de in die monding aangebrachte remmingwerken, lichtopstanden, boeien en andere kunstwerken en voorzieningen, de naast en in de haven gelegen pontons en de daarin en daarop aangebrachte voorzieningen, een en ander met inbegrip van het appartement dat plaatselijk bekend is onder het adres Schoonzicht 404 met de daarbij behorende inventaris en aanhorigheden (havenkantoor met bijbehorende sanitaire voorzieningen), een en ander zoals is vastgelegd op de bij de vigerende Havenverordening Bataviahaven Lelystad behorende en daarvan onderdeel uitmakende kaart met het nummer SW-907262-AL-4.
Artikel 2. Belastbaar feit
Ter zake van het hebben van een ligplaats in de Bataviahaven en het in verband daarmee door of vanwege de gemeente verlenen van diensten wordt onder de naam "liggelden" rechten geheven.
Artikel 3. Belastingplicht
- Belastingplichtig is degene die een ligplaats heeft ingenomen, dan wel degene voor wie diensten als bedoeld in artikel 2 worden of zijn verricht.
- Bij voortgezet innemen van een ligplaats na afloop van de termijn waarvoor liggeld is voldaan, ontstaat opnieuw de belastingplicht.
Artikel 4. Vrijstelling
Het recht wordt niet geheven ter zake van het innemen van een ligplaats met een schip dat voor onderhoudswerkzaamheden aan gemeente-eigendommen wordt gebezigd.
Artikel 5. Belastinggrondslag
Voor de berekening van het recht wordt:
a. als lengte van een vaartuig aangemerkt de lengte over alles van het vaartuig met inbegrip van een
vaste boegspriet, een papegaaienstok, het trimvlak en een roer, waarbij een gedeelte van een
meter wordt gerekend voor een hele meter;
b. als breedte van een vaartuig aangemerkt de breedte over alles van het vaartuig met inbegrip van
overhangen en balkons, waarbij een gedeelte van een meter wordt gerekend voor een hele meter;
c. als m² aangemerkt de hoeveelheid ingenomen wateroppervlakte, zijnde het product van de lengte
en de breedte over alles; waarbij een gedeelte van een m² wordt gerekend voor een hele m².
Artikel 6. Tarieven
Het recht wordt geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7. Verlaten ligplaats
Het college is gerechtigd de ligplaats die wordt ingenomen met een abonnement aan een ander schip toe te wijzen bij afwezigheid van het schip waarvoor het abonnement is afgegeven. Daarnaast is de havenmeester gerechtigd om bij evenementen, aanwijzingen te geven aan de houders van abonnementen.
Artikel 8. Het belastingjaar
- Met betrekking tot de rechten genoemd in de bij deze verordening behorende tarieventabel die per
jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. - Met betrekking tot de overige rechten genoemd in de tarieventabel is het belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor een ligplaats wordt ingenomen.
Artikel 9. Opzeggen recht
Ingeval een ligplaats wordt ingenomen voor een kalenderjaar en de gebruiker wenst deze ligplaats het volgende jaar niet in te nemen, dient deze gebruiker dit voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar dat hij van de ligplaats geen gebruik wenst te maken aan het college mede te delen. Indien de gebruiker niet voor bedoelde datum heeft opgezegd, wordt het recht voor het volgende kalenderjaar automatisch verlengd.
Artikel 10. Beëindiging belastingplicht
- Indien de belastingplicht, voor een vaartuig dat een ligplaats inneemt met een abonnementstarief voor een kalenderjaar, eindigt gedurende de periode waarvoor dat abonnement is verstrekt, wordt op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet ontheffing verleend over zoveel delen van het recht als er nog volle kalenderkwartalen in de periode van dat abonnement resteren.
- Indien de belastingplicht, voor een vaartuig dat een ligplaats inneemt met een abonnementstarief voor een zomer- of winterperiode, eindigt gedurende de periode waarvoor dat abonnement is verstrekt, wordt op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet ontheffing verleend over zoveel delen van het recht als er nog volle maanden in de periode van dat abonnement resteren.
Artikel 11. Wijze van heffing en termijnen van betaling
- Het recht wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een gedagtekende bon, nota of ander schriftuur, waarop het verschuldigde bedrag wordt vermeld.
- Het recht is verschuldigd zodra een ligplaats wordt ingenomen en moet worden betaald op het moment van de mondelinge kennisgeving of het uitreiken van de kennisgeving, dan wel in het geval van toezending van de kennisgeving binnen dertig dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
- Bij voortgezet verblijf na afloop van de termijn waarover liggeld is betaald begint een nieuwe termijn en is met betrekking tot deze nieuwe termijn het recht opnieuw verschuldigd, alsdan dient betaling opnieuw overeenkomstig lid 2 plaats te vinden. Een en ander laat onverlet het verbod van voortzetting van de termijn door passanten, zoals dat is bepaald in de vigerende Havenverordening Bataviahaven Lelystad.
- Abonnementen dienen te worden betaald binnen dertig dagen na dagtekening van de nota.
- De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de leden 2 tot en met 4 van dit artikel gestelde termijnen.
Artikel 12. Kwijtschelding
Bij de invordering van de liggelden wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 13. Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de liggelden.
Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening liggelden Bataviahaven 2015" van 16 december 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.
- De datum van ingang van de heffing is 1 april 2017.
- Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening liggelden Bataviahaven 2017”.
-
19
Bijlagen
Besluit
Wijzigingen APV
- de Algemene Plaatselijke Verordening 2015 als volgt te wijzigen:
Artikel 1:3 Indiening aanvraag komt te vervallen
Artikel 1:8 Weigeringsgronden wordt gewijzigd en komt te luiden: - Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu. - Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor is ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft.
Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg, vierde lid wordt gewijzigd en komt te luiden:
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de provinciale omgevingsverordening, de Waterschapskeur, of de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren.
Aan artikel 2:24 Begripsbepaling wordt toegevoegd lid 3: Evenementen worden op basis van de risicoscan onderscheiden in de volgende categorieën:
a. 0-meldingen: Zeer kleinschalig; evenement waarbij sprake is van een minimale impact op de omgeving, weinig tot geen geluid, geen politie-inzet en geen gevolgen voor het verkeer;
b. A-evenement: Laag risico; evenement waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en beperkte gevolgen voor het verkeer;
c. B-evenement: Gemiddeld Risico; evenement waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;
d. C-evenement: Hoog Risico; evenement waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.
Artikel 2:25 Evenementen wordt gewijzigd en komt te luiden - Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
- Geen vergunning is vereist voor een evenement indien uit een bij het evenementenbeleid behorend risicoscanformulier blijkt dat er sprake is van een zeer kleinschalig evenement waarvoor een 0-melding volstaat. Niet risicovolle evenementen dienen door de organisator binnen acht werkdagen voorafgaand aan het evenement te worden gemeld aan de burgemeester.
- De burgemeester kan binnen acht werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
- De burgemeester kan (de aanvraag voor) een evenementenvergunning , geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:
a. de vooraankondiging van een B- of een C-evenement niet vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de jaarkalender wordt vastgesteld is ingediend;
b. een A-evenement niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is ingediend;
c. een B- en C-evenement niet ten minste zestien weken voor aanvang van het evenement is ingediend;
d. de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de gemeente Lelystad. - Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
- Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Ingevoegd wordt artikel 2:25A nadere regels
Het bestuursorgaan is bevoegd nadere regels te stellen.
Ingevoegd wordt Artikel 2:25b Beslistermijn
- Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid voor zover het betreft een C-evenement in afwijking van artikel 1:2 van deze verordening binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is;
- Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit eveneens in afwijking van artikel 1:2 van deze verordening voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
Artikel 2:37 wordt gewijzigd en komt te luiden
De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model
Artikel 2:39 Speelgelegenheden, tweede lid, onder b, wordt gewijzigd en komt te luiden:
speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en
Artikel 2:77 Cameratoezicht wordt ingevoegd en komt te luiden: - De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s, voor de duur van maximaal 5 jaar, ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats en ten aanzien van alle voor door het publiek toegankelijke parkeerterreinen.
- De burgemeester zendt, indien van toepassing, na afloop van de periode waarin de camera’s zijn geplaatst een beknopt verantwoordingsverslag aan de raad over het gevoerde cameratoezicht.
Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden: - Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water, vijfde lid, wordt gewijzigd en komt te luiden: - Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Waterschapskeur of de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Lelystad.
- Dit besluit treedt in werking 8 dagen na bekendmaking.
- de Algemene Plaatselijke Verordening 2015 als volgt te wijzigen:
-
20
Bijlagen
Besluit
- Kennis te nemen van het vergroeningsplan Stadshart;
- De vergroeningsmaatregelen korte termijn ad. € 320.000,- (incl V&T, ex BTW) in 2017 ten laste te laten komen van de reservering groot onderhoud Stadshart binnen de voorziening GO Bovengronds.
-
21
Bijlagen
-
22
Bijlagen
-
23
Bijlagen
Besluit
- de door het college ingevolge artikel 25, lid 2 van de Gemeentewet opgelegde geheimhouding op bijlage 1.10b (gedeelte van het ontvlechtingsplan) en bijlage 2.01 en 2.02 (exploitatie en kanttekening Cantine) op grond van artikel 25 lid 3 van de Gemeentewet te bekrachtigen;
- het college op grond van het bepaalde in artikel 73, tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, toestemming te verlenen om de wijziging van de Gr Nieuw Land Erfgoedcentrum, conform bijgevoegde concept regeling vast te stellen;
- geen zienswijze bij het Erfgoedcentrum Nieuw Land naar voren te brengen op de begroting 2017 van Het Flevolands Archief;
- rekening te houden met een incidenteel bedrag van 100.000 euro ten behoeve van suppletie van het tekort op de jaarrekening van het Erfgoedcentrum Nieuw Land over het jaar 2016 en dit te betrekken bij de jaarrekening gemeente Lelystad over het jaar 2016;
- voor de overname van de Cantine van het Erfgoedcentrum Nieuw Land door gemeente Lelystad per formele ontvlechtingsdatum van de NLE:
a. een krediet van € 502.461,-- ter beschikking te stellen;
b. de bestaande lening aan het Erfgoedcentrum Nieuw Land à € 502.461,-- af te boeken; - de programmabegroting met ingang van 1 januari 2017 structureel als volgt aan te passen:
a. de lastenzijde op te hogen met een bedrag van
€ 42.500,-- ter dekking van de jaarlijkse exploitatielasten van de Cantine;
b. de batenzijde op te hogen met een bedrag van
€ 42.500,-- als gevolg van de jaarlijkse huuropbrengst van de Cantine.
-
24
Bijlagen
Besluit
- Statushouders
1.1 Voorgesteld de begroting 2016 te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (Rijksbijdrage) te verlagen met € 555.000 en het resterende bedrag, door te schuiven naar 2017 ter uitvoering van de bijbehorende taken.
1.2 Voorgesteld wordt de begroting 2016 te actualiseren (budgetneutraal) door de lasten en de baten te verhogen met €325.000.
1.3 Voorgesteld wordt om €109.000 van de bijdrage voor huisvesting van vluchtelingen door te schuiven naar 2017 ter bevordering van integratie van de statushouders. Dekking komt ten laste van het rekeningresultaat 2016. - Raadgevend referendum 2016
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten ( Rijksbijdrage) naar boven bij te stellen met €129.000. - Subsidieproject Fietsknooppuntennetwerk Flevoland
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (bijdrage derden) met € 18.200 naar beneden bij te stellen en het restbudget door te schuiven naar 2017 ter uitvoering van de bijbehorende taken. - Centrummanager
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (bijdrage derden) op te hogen met €46.000 en het resterend deel (€ 20.000) van het gemeentelijk budget toe te voegen aan het budget 2017. - Secretaris fysieke pijler G32
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (bijdrage derden) op te hogen met €73.000. - Re-integratie (Werkbedrijf L’stad)
Voorgesteld wordt de begroting 2016 te actualiseren door het lastenbudget naar beneden bij te stellen met € 300.000 en het restbudget door te schuiven naar 2017 ter uitvoering van de bijbehorende taken. Dekking komt ten laste van het rekeningresultaat 2016. - Bouwlocatie Kwelder
Voorgesteld wordt de budgetten 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehoren baten (verkoopopbrengst) naar beneden bij te stellen met €151.000 en het niet bestede budget toe te voegen aan de begroting 2017. - Actualiseren budgetten RMC middelen 2016
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (Rijksbijdrage) op te hogen met €113.000. - Onderwijsachterstanden Beleid (VVE)
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (Rijksbijdrage) op te hogen met €235.500 - Breedband
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten te verlagen met €203..000 en het niet bestede budget toe te voegen aan de begroting 2017. - Brede doeluitkering Verkeer & vervoer
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten( provinciale bijdrage) te verhogen met € 235.000. - Aanpassen van de begroting 2016 aan het uitvoeringsplan Wmo
Voorgesteld wordt de baten en lasten 2016 (budgetneutraal) aan te laten sluiten bij het uitvoeringsplan door het lastenbudget met €93.600 te verhogen en de begrote storting (in de reserve sociaal domein) te verlagen met hetzelfde bedrag. - Versterken vrije tijdseconomie kust
Voorgesteld wordt om de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (onttrekking) te verlagen met € 163.750 en dit toe te voegen aan het budget 2017. - HCU (High Containment Unit)
Voorgesteld wordt op de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en bijbehorende baten(onttrekking) te verlagen met €300.000 en het niet bestede budget toe te voegen aan de begroting 2017. - Digitale dienstverlening
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten(onttrekking) met €75.000 te verlagen en het restbudget toe te voegen aan het budget 2017. - Inrichting acquisitiefonds
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (onttrekking) met €25.000 te verlagen en het restbudget toe te voegen aan het budget 2017. - Aanleg verbindingsweg Lelystad Airport
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten(onttrekking) met € 500.000 te verlagen en het restbudget toe te voegen aan het budget 2017. - Toegangspoort tot re-integratie nieuwe doelgroepen
Voorgesteld wordt de begroting 2016 hierop te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende onttrekking € 250.000 te verlagen en het restbudget toe te voegen aan het budget 2017. - Skaeve Huse
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten(onttrekking) met € 91.000 te verlagen en het niet bestede budget toe te voegen aan het budget 2017. - Mensen maken de buurt (participatie budgetten)
20.1 Ideeënmakelaar
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten(onttrekking) met € 35.000 te verlage en het restbudget toe te voegen aan het budget 2017.
20.2 Ondersteuning bewonersinitiatieven - Wmo gerelateerd
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (onttrekking) te verlagen met € 105.000 en het restbudget toe te voegen aan het budget 2017.
20.3 ISV fysieke leefbaarheid
Voorgesteld wordt om de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten(onttrekking) met €80.000 te verlagen en het restbudget toe te voegen aan het budget 2017.
20.4 Experiment burgerbegroting
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende onttrekking te verlagen met € 27.500 en het restbudget toe te voegen aan het budget 2017. - Frictie en Hervormingsbudget
Voorgesteld wordt de begroting 2016 (budgetneutraal) te actualiseren door het lastenbudget en de bijbehorende baten (onttrekking) te verhogen met €275.000. - Beheerskosten Grondbedrijf: Verschuiving van budget vermogensbeheer en erfpacht van programma 4.1 naar 6.2. Voorgesteld wordt de begroting 2016 structureel (€72.300) budgetneutraal hierop aan te passen.
- Jeugdgezondheidzorg naar begroting GGD: Verschuiven budget van sub programma 1.1 naar 1.2.
Voorgesteld wordt de begroting 2016 structureel & budgetneutraal (€58.000) hierop aan te passen.
hierop aan te passen. - Faciliterend grondbeleid
Voorgesteld wordt de begroting 2016 incidenteel budgetneutraal aan te passen door de lasten en de baten te verhogen met € 50.000 . - Verwerking Voorbereidingskrediet op de Balans
Voorgesteld wordt om nu bij raadsbesluit de voorbereidingskosten van het Theaterkwartier van maximaal € 100.000 toe te voegen aan de post immateriële activa.
De actualisatie van de budgetten 2016 in deze voorstellen zijn gebaseerd op prognoses van de lasten
In 2016 maar pas bij de afsluiting van de jaarrekening 2016 zijn de werkelijke bedragen bekend. Eventueel te onttrekken-of door te schuiven middelen zullen zijn gebaseerd op de werkelijke bedragen.
27.
De raad zal over de afwijking tussen de bedragen zo als hiervoor opgenomen in de voorstellen 1 tot en met 25 en de werkelijke bedragen zo spoedig mogelijk na vaststelling worden geïnformeerd. - Statushouders
-
25
Bijlagen
-
26
Bijlagen
-
27Gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen (art. 38 RvO)
-
28
Bijlagen
-
29
Bijlagen
-
30
Bijlagen
-
31
Bijlagen