Ga naar de inhoud van deze pagina Ga naar het zoeken Ga naar het menu
Vorige pagina

Raadsvergadering archief

maandag 25 april 2016

18:45
Locatie

Raadzaal

Toelichting

Gemeenteraad 25-04-2016

Uitzending

Agendapunten

  1. 1
    Verklaring der letters: (B) = beeldvormende vergadering (O) = oordeelvormende vergadering
  2. 2
    18.45 - 19.00 uur Ontvangst met koffie (Burgerzaal)
  3. 4

  4. 6

  5. 10
    20.45 - 21.00 uur Pauze
  6. 11
    21.00 - 23.00 uur Besluitvormende raadsvergadering
  7. 12
    Gelegenheid tot inspreken over niet-geagendeerde onderwerpen.
  8. 13
    Opening
  9. 14

  10. 15
    Mededelingen
  11. 16

  12. 17

    Bijlagen

  13. 18

  14. 19

    Besluiten

    Geen wensen en bedenkingen te uiten bij het collegevoornemen om in het kader van de Woningwet 2015 in te zetten op de vorming van een woningmarktregio op de schaal van de Metropoolregio Amsterdam.

    Het normenkader financiële rechtmatigheidscontrole voor 2015 vast te stellen

    Kennis te nemen van de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling (GR) GGD Flevoland;
    2. Het college toestemming te verlenen voor het aangaan van de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling GGD Flevoland.

    Vast te stellen de navolgende Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Lelystad 2016 alsmede de, afzonderlijk bijgevoegde, bij deze Verordening behorende bijlagen en toelichting


    HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
    Artikel 1 Begripsbepalingen
    In deze verordening wordt verstaan onder
    a. minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
    b. bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente Lelystad;
    c. school:

    • school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als
      bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
    • school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra;
    • school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
      d. nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra en artikel 16, tweede en derde lid, en artikel 71 lid 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;
      e. voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;
      f. programma: programma als bedoeld in artikel 95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;
      g. overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;
      h. aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;
      i. aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3 van deze verordening;
      j. voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, minimaal 15 jaar of langer noodzakelijk is;
      k. voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, maximaal 15 jaar noodzakelijk is;
      l. permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
      m. tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
      n. lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs of een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
      o. advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
      p. verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;
      q. gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;
      r. eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;
      s. voedingsgebied: het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen van een school afkomstig is, waarbij voor de grensafbakening van het voedingsgebied wordt aangesloten bij de wijkindeling van Lelystad zoals die door de gemeente worden gehanteerd bij het opstellen van de bevolkings- en leerlingenprognoses.

    Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting
    Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:
    a. voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:
    1°. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie;
    2°. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;
    3°. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school;
    4°. verplaatsing van een of meer tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school;
    5°. terrein, voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;
    6°. inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;
    7°. inrichting met meubilair, voor zover dit nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;
    8°. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
    b. herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen
    gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;
    c. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;
    d. huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het bewegingsonderwijs.


    Artikel 3. Voorbereidingskrediet
    Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, sub a onder 1 en 2, kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding indien de voorziening van een dusdanige omvang is dat redelijkerwijs niet voor 1 december van het jaar volgend op de vaststelling van het programma een bouwopdracht voor de betreffende voorziening kan worden verleend. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 2 van toepassing.


    Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen

    1. Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen of bij toekenning van bekostiging van
      bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval.
    2. De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV deel A en zijn van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, sub a onder 1, 2, 6, 7 en 8 en artikel 3.
    3. Voor de andere voorzieningen dan bedoeld in het tweede lid wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten. De bekostiging wordt vastgesteld met inachtneming van Bijlage IV deel B.

    Artikel 5. Informatieverstrekking
    Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening.


    Artikel 6. Bevoegdheden college

    1. Het college is bevoegd op basis van deze verordening besluiten te nemen over de vergoedingen, voor zover deze passen binnen het door de raad vastgestelde beleid en door de raad middels vaststelling van de begroting voor onderwijshuisvesting beschikbaar gestelde budgetten.
    2. Het college kan nadere regels stellen voor een nadere invulling en uitvoering van deze verordening.

    Hoofdstuk 2. Programma en overzicht


    Paragraaf 2.1 Aanvragen programma


    Artikel 7. Indienen aanvraag

    1. Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend volgens de door het college op te stellen procedure en voor het door het college te bepalen tijdstip.
    2. Aanvragen die na het tijdstip zoals bedoeld in het eerste lid zijn ontvangen, neemt het college niet in behandeling.

    Artikel 8. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag.

    1. Het bevoegd gezag onderbouwt de aanvraag in ieder geval schriftelijk met:
      a. een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld, indien het een voorziening betreft voor het herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, sub b;
      b. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien het een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, van toepassing is.
    2. Het college stelt de aanvrager zo spoedig mogelijk nadat de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt vier weken in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet binnen deze vier weken zijn verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

    Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht


    Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting

    1. Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten.
    2. Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde begroting moet worden aangepast.
    3. Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, als bedoeld in paragraaf 2.3:
      a. de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en
      b. als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.

    Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad

    1. Voordat het programma en het overzicht worden vastgesteld, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van het programma en het overzicht naar voren te brengen.
    2. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor het in het eerste lid bedoelde overleg door het college schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het programma en het overzicht.
    3. De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis.
    4. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.
    5. Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het voorgenomen programma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, als bedoeld in het vierde lid.
    6. Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, als bedoeld in het vierde lid.
    7. Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies.
    8. Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, als bedoeld in het vierde lid.

    Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht


    Artikel 11. Tijdstip vaststelling

    1. Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening.
    2. Het programma en het overzicht worden vóór 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend vastgesteld.
    3. Voor zover het programma is vastgesteld ten laste van een gemeentelijke begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, vindt de toekenning van de in het programma opgenomen aanvragen plaats onder de voorwaarde dat in de begroting voldoende financiële middelen ter beschikking worden gesteld.

    Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht,

    1. De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college binnen 4 weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.
    2. De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd.

    Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma


    Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering

    1. Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld, treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. Daarbij worden, voor zover van toepassing, in ieder geval afspraken gemaakt over:
      a. het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs;
      b. het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend;
      c. als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
      d. de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien;
      e. de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te stellen middelen;
      f. de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt.
    2. De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen 2 weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.
    3. Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
    4. Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.

    Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes

    1. Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening wordt bekostigd op basis van feitelijke kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken, als bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend.
    2. Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.
    3. De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.

    Artikel 15. Aanvang bekostiging
    Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening.


    Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging

    1. Vóór 1 december van het jaar waarop het programma betrekking heeft, geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij vóór 1 januari van het jaar waarop het programma betrekking heeft een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.
    2. De in het eerste lid bedoelde:
      a. bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;
      b. bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd;
      c. huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;
      d. koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.
    3. De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door:
      a. bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en
      b. de aanvrager vóór 1 december een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college.
    4. Het college beslist binnen 4 weken op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.

    Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter


    Paragraaf 3.1 Aanvraag


    Artikel 17. Indienen aanvraag
    Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college.


    Artikel 18. Inhoud aanvraag

    1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 8, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.
    2. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

    Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit


    Artikel 19. Tijdstip beslissing

    1. Het college beslist binnen 6 weken nadat de aanvraag is ontvangen of binnen 6 weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.
    2. Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
    3. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.

    Artikel 20. Uitvoeren beslissing

    1. Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16 is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt.
    2. Binnen 4 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen 2 weken na het afsluiten van de overeenkomst een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.

    Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur


    Paragraaf 4.1 Medegebruik voor onderwijs of educatie


    Artikel 21. Aanduiden omstandigheden
    Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als:
    a. door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 7 of 17 heeft ingediend;
    b. sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;
    c. leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;
    d. leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school.


    Artikel 22. Omschrijving leegstand

    1. Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.
    2. Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als:
      a. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren;
      b. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;
      c. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren.

    Artikel 23. Nalaten vorderen

    1. Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.
    2. Het college kan alleen de leegstand ten behoeve van beoogd medegebruik vorderen als er sprake is van leegstand van een aaneengesloten functioneel nuttig vloeroppervlak.
    3. Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:
      a. als eerst de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt;
      b. vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde richting is gehuisvest, en
      c. tenslotte de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.
    4. Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het tweede lid opgenomen volgorde afwijken.

    Artikel 24. Overleg en mededeling

    1. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 7 overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in artikel 10.
    2. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.
    3. Binnen 6 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 3 weken na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg als bedoeld in het eerste en tweede lid te kennen geeft geen bezwaar tegen deze vordering te hebben en dit in een gespreksverslag schriftelijk is vastgelegd.
    4. De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval:
      a. de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd;
      b. een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;
      c. het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;
      d. het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt;
      e. de periode waarvoor gevorderd wordt, en
      f. de ingangsdatum van het medegebruik.


    Artikel 25. Vergoeding

    1. De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast.
    2. Als geen overeenstemming wordt bereikt als bedoeld in het eerste lid dan wordt de vergoeding vastgesteld door een door het college aangewezen onafhankelijke derde.

    Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden


    Artikel 26. Overleg en mededeling

    1. Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag.
    2. In het overleg komt in ieder geval aan de orde:
      a. voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;
      b. of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;
      c. of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;
      d. wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;
      e. de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen.
    3. Binnen 6 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de vordering en dit schriftelijk is vastgelegd in een gespreksverslag, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden afgezien.

    Paragraaf 4.3 Verhuur


    Artikel 27. Verzoek toestemming college

    1. Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.
    2. Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte.
    3. Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.

    Hoofdstuk 5. Einde gebruik gebouwen en terreinen


    Artikel 28. Staat van onderhoud

    1. Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein. Er is sprak van achterstallig onderhoud wanneer het gebouw of gebouwdelen bij einde gebruik niet minimaal voldoet of voldoen aan conditiescore 3 van de NEN 2767.
    2. Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt.
    3. De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college.
    4. Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag.
    5. Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.
    6. Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.

    Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs


    Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik

    1. Een bevoegd gezag van een school voor (speciaal) basisonderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks vóór 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs conform de door het college daartoe op te stellen procedure. De procedure is gebaseerd op de in dit artikel opgenomen uitgangspunten.
    2. De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 7, met dien verstande dat in afwijking op dat artikel op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing is.
    3. Het college stelt jaarlijks voorafgaand aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven de inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen voor (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen lokalen bewegingsonderwijs. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per lokaal bewegingsonderwijs.
    4. Het college neemt bij de vaststelling van de inroostering het volgende in acht:
      a. de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, zoals opgenomen in bijlage I, deel B;
      b. het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de betreffende school het eerst ingeroosterd voor dat lokaal bewegingsonderwijs;
      c. het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.
    5. Alvorens het college de inroostering vaststelt, wordt het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op de inroostering kenbaar te maken. Indien het college bij de vaststelling van de inroostering afwijkt van één of meer afwijkende zienswijzen op de inroostering, dan wordt dit gemotiveerd.
    6. De inroostering vermeldt per school voor (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende gegevens:
      a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een lokaal bewegingsonderwijs;
      b. de aanduiding van het lokaal bewegingsonderwijs waarin en de tijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;
      c. een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per lokaal bewegingsonderwijswanneer het gebruik in meer dan één lokaal bewegingsonderwijs plaatsvindt;
      d. voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school;
      e. Het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d wordt slechts opgenomen in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt.
    7. Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de beschikbare lokalen bewegingsonderwijs van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende schooljaar.

    Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen


    Artikel 30. Ontheffing, hardheidsclausule, onvoorzien

    1. Het college kan in individuele gevallen ontheffing verlenen van één of meerdere verplichtingen van deze verordening.
    2. Indien naar het oordeel van het college in bijzondere individuele gevallen de toepassing van een artikel van deze verordening leidt tot een onbillijke situatie, dan is het college bevoegd hiervan af te wijken.
    3. In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

    Artikel 31. Indexering
    Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling.


    Artikel 32. Citeertitel; inwerkingtreding

    1. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Lelystad 2016.
    2. Deze verordening treedt, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2013 van 14 mei 2013, in werking met ingang van de dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
  15. 20
    Gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen (art. 38 RvO).