- Locatie
Raadzaal
- Toelichting
-
Raadsbijeenkomst 28 oktober 2014
Uitzending
Agendapunten
-
1Verklaring der letters: (B) = beeldvormende vergadering (O) = oordeelvormende vergadering
-
218.45 - 19.00 uur Ontvangst met koffie (Burgerzaal)
-
3
Bijlagen
-
4
Bijlagen
-
5
Bijlagen
-
620.45 - 21.00 uur Pauze
-
721.00 - 23.00 uur Besluitvormende raadsvergadering
-
8Opening
-
9Gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen (art. 37 RvO).
-
10
Bijlagen
-
11Mededelingen
-
12
Bijlagen
-
13
Bijlagen
-
14
Bijlagen
-
15
Bijlagen
Besluiten
- de elektronische weg voor het indienen van Wob-verzoeken expliciet af te sluiten met ingang van de dag na bekendmaking van dit besluit, met uitzondering van de mogelijkheid tot indienen van een Wob-verzoek door middel van een webformulier;
- het webformulier in gebruik te nemen met ingang van de dag na bekendmaking van dit besluit.
- geen wensen of bedenkingen te uiten bij de Bestuursovereenkomst IBT;
- kennis te nemen van het voornemen van het ministerie van Binnenlandse Zaken een tussenmeting naar de implementatie van het interbestuurlijk toezicht uit te voeren.
a. Kennis te nemen van de notitie "Uitvoering Jongleren en Voor en Vroegschoolse Educatie in 2014 en 2015".
b. Intensivering op alle drie de speerpunten van de nota JongLeren, door specifiek in te zetten
op de volgende vier accenten:
I. het verder verhogen van het VVE bereik;
lI. het ouderbeleid op de voorschool en de vroegschool te versterken. Hierbij gebruikmaken van het talent van de ouders;
III. naast de investeringen in de voorschoolse periode, de investering in de vroegschoolse periode voor 2014 en 2015 te handhaven;
IV. het stimuleren en ondersteunen van verdere harmonisatie/IKC.
V. Het budget voor de schakelklas voor kleuters in 2015 vast te stellen op € 440.000,- door verlaging van het budget voor educatief partnerschap ouders naar
€ 227.781,-
c. De geoormerkte middelen die het rijk beschikbaar stelt voor onderwijsachterstanden in 2014 (€ 2.488.433) en 2015 (€ 2 488.433) plus het restant uit voorgaande jaren (€ 845.788) hiervoor beschikbaar te stellen.Verordening inzake de zorg van burgemeester en wethouders voor de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen, de aanwijzing en het beheer van de archiefbewaarplaats, en het toezicht op de naleving van de Archiefwet, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
(Archiefverordening Gemeente Lelystad 2014) zijnde de
Archiefverordening gemeente Lelystad 2014
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt verstaan onder:
a. de wet: De Archiefwet 1995;
b. gemeentelijke organen: de overheidsorganen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de wet, voor zover behorende tot de gemeente;
c. gemeenschappelijke regeling: Gemeenschappelijke Regeling Erfgoedcentrum Nieuw Land;
d. de archiefbewaarplaats: de overeenkomstig artikel 31 van de wet door het algemeen bestuur van de
gemeenschappelijke regeling aangewezen gemeentelijke archiefbewaarplaats;
e. de archiefruimten: ruimten bestemd of aangewezen voor de bewaring van archiefbescheiden, conform de aan die ruimten gestelde eisen in artikel 13 van het Archiefbesluit en de artikelen 27 t/m 46 van de Archiefregeling;
f. de archivaris: de overeenkomstig artikel 32 van de wet door het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling benoemde gemeentearchivaris;
g. beheerder: degene die ingevolge artikel 3 van de Archiefwet is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats;
h. beheerseenheid: een door burgemeester en wethouders als zodanig aan te wijzen organisatie-onderdeel, belast met de documentaire informatievoorziening;
i. informatiesysteem: systeem van documentatie, procedures, apparatuur en programmatuur, met behulp waarvan archiefbescheiden kunnen worden vervaardigd, bewerkt, verzonden, ontvangen en geraadpleegd.
Hoofdstuk II. De zorg van burgemeester en wethouders voor de archiefbescheiden
Artikel 2
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het inrichten en in stand houden van voldoende en doelmatige archiefruimten en de archiefbewaarplaats. Aan de zorg voor instandhouding van de archiefbewaarplaats wordt invulling gegeven door middel van deelname aan de gemeenschappelijke regeling.
Artikel 3
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanwijzen van de beheerder.
Artikel 4
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de aanstelling van voldoende, deskundig personeel voor de werkzaamheden verbonden aan het beheer van alle gemeentelijke archiefbescheiden en documentaire verzamelingen, ongeacht hun vorm.
Artikel 5
- Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor, dat de vervaardiging en de bewaring van de archiefbescheiden geschieden op zodanige wijze, dat het behoud van deze bescheiden voldoende is gewaarborgd.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vervaardiging van bescheiden bestemd voor een overheidsorgaan of andere belanghebbende, van welke bescheiden redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij voor dezen als archiefbescheiden voor blijvende bewaring in aanmerking komen.
Artikel 6
Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor, dat jaarlijks op de gemeentebegroting voldoende middelen worden geraamd ter bestrijding van de kosten die aan de zorg voor de archiefbescheiden zijn verbonden.
Artikel 7
Burgemeester en wethouders stellen voor het beheer van de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen, die niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats voorschriften vast.
Artikel 8
Burgemeester en wethouders doen tenminste eenmaal per jaar aan de raad verslag omtrent hetgeen zij hebben verricht ter uitvoering van artikel 30 van de wet. Zij leggen daarbij over de verslagen die door de archivaris aan hen zijn uitgebracht in verband met het beheer van de archiefbewaarplaats en het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden die niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
Hoofdstuk III. Toezicht van de archivaris op het beheer van de archiefbescheiden welke niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
Artikel 9
De archivaris is belast met het toezicht op het bij of krachtens de wet bepaalde ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden die niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
Artikel 10
De archivaris is bevoegd, ter uitoefening van het hem bij artikel 32, tweede lid, van de wet opgedragen toezicht, zich onder handhaving van zijn verantwoordelijkheid te doen vervangen door een of meer ambtenaren die in het bezit zijn van een diploma archivistiek als bedoeld in artikel 22 van de wet.
Artikel 11 - De beheerder verstrekt aan de archivaris of aan degene die namens hem met het toezicht is belast, alle bescheiden en inlichtingen die voor een goede vervulling van zijn taak noodzakelijk zijn en verleent de nodige medewerking om inzicht te verschaffen in de ordening en toegankelijkheid van de archiefbescheiden alsmede in de opzet en werking van hulpmiddelen en systemen waarin archiefbescheiden zijn opgenomen.
- De archivaris en degenen die hem in de uitoefening van het toezicht vervangen of bijstaan, hebben met inachtneming van de voorschriften ten aanzien van de beveiliging van geheimen, toegang tot de archiefbescheiden en de ruimten waarin deze zich bevinden.Artikel 12
Artikel 12
De archivaris doet van zijn bevindingen bij de uitoefening van het toezicht mededeling aan de beheerder alsmede, indien hij hiertoe aanleiding vindt, aan burgemeester en wethouders. De archivaris geeft daarbij aan welke voorzieningen naar zijn mening in het belang van een goed beheer moeten worden getroffen.
Artikel 13
De beheerder doet aan de archivaris tijdig mededeling van het voornemen om aan burgemeester en wethouders een voorstel te doen tot:
a. opheffing, samenvoeging of splitsing van een beheereenheid of overdracht van één of meer taken aan een andere beheereenheid, overheidsorgaan of rechtspersoon;
b. bouw, verbouwing, inrichting, of verandering van inrichting en ingebruikneming van ruimten als archiefbewaarplaats respectievelijk archiefruimten;
c. verandering van de plaats van bewaring van niet naar de archiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden;
d. ontwerp, vervanging, aanschaf of invoering van een informatiesysteem;
e. voorbereiding, invoering en wijziging van ordeningssystemen.
Artikel 14
De archivaris doet eenmaal per jaar verslag aan burgemeester en wethouders betreffende de uitoefening van het toezicht.
Hoofdstuk IV Slotbepalingen
Artikel 15
De Archiefverordening Gemeente Lelystad 2007 vastgesteld op 22 februari 2007 wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop de Archiefverordening Gemeente Lelystad 2014 in werking treedt.
Artikel 16
Deze verordening treedt in werking op de dag na haar bekendmaking.
Artikel 17
Deze verordening wordt aangehaald als Archiefverordening gemeente Lelystad 2014. -
16
Bijlagen
Besluit
Het Beleidsplan Wmo 2015-2019 “Samen Leven, Samen Sterk” vast te stellen met daarin opgenomen de volgende uitgangpunten:
a. de kaders, zoals eerder vastgesteld in de Kadernota Samen Leven, Samen Redzaam;
b. aanvullend op de reeds vastgestelde kaders de toegankelijkheid van reguliere activiteiten en voorzieningen voor mensen met een beperking te verbeteren door:- het aanbod te verbreden;
- onderzoek te doen naar de fysieke toegankelijkheid en op basis daarvan te bepalen welke aanpassingen mogelijk/wenselijk zijn;
- de financiële drempel voor deelname aan algemene activiteiten te beperken;
- De Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2015 vast te stellen en op 1 januari 2015 in werking te laten treden;
- Kennis te nemen van het Uitvoeringsplan Wmo 2015 en bij de vaststelling van de Programmabegroting 2015-2018 te besluiten over de (financiële) vertaling hiervan.
- Ten aanzien van de monitoring en informatiepositie van de raad:
a. Van het college in 2015 en 2016 ieder half jaar (april en oktober) een dashboard tegemoet te zien, waarop de belangrijkste kengetallen, betreffende de output en outcome van het 3D beleid, staan samengevat. Dit opdat de Lelystadse samenleving zich kan informeren over de resultaten van de 3D, en de raad de door zichzelf gestelde kaders kan (her)toetsen aan de uitvoeringspraktijk. Daarin aandacht te hebben voor het meten van de transformatie naar meer preventie en lichtere vormen van zorg. (April 2015 = 0 meting op basis van bestaande gegevens).
b. De raad in 2016 tijdig een voorstel voor te leggen hoe de monitoring na deze startperiode er uit moet gaan zien. - In het belang van goede afstemming en tijdige informatievoorziening aan de raad met betrekking tot voortgang, opdoemende problemen en meevallers, knelpunten en mogelijke bijsturingen en / of oplossingen, de raad informeel en regelmatig op de hoogte te houden van deze aspecten teneinde de goede en probleemarme voortgang te waarborgen.
-
17
Bijlagen
Besluit
- Het beleidsplan Jeugdhulp 2015 – 2019 ‘Kansrijk opgroeien in Lelystad’ vast te stellen met
inachtneming van de volgende beslispunten: - Ten behoeve van het bieden van zorgcontinuïteit in ieder geval in 2015 zoveel mogelijk aan te
sluiten bij bestaand aanbod en bestaande aanbieders. - Het ‘versterken van de basis’ uit te werken in een aparte beleidsnota in 2015 en daarin
a. de visie te verwoorden op de positieve ontwikkeling van jeugd en een kindvriendelijke stad
b. tevens uit te spreken dat voor het versterken van de basis voorstellen kunnen worden gedaan
als de budgetruimte die wordt gecreëerd met de ombouw van zware naar lichte zorg en
beperking van het beroep op zorg dit mogelijk maakt. - Voor de inrichting van het Jeugd&Gezinsteam te kiezen voor een samenwerkingsverband met de zorgaanbieders.
- De regels voor het persoonsgebonden budget op hoofdlijnen op te nemen in de verordening
Jeugdhulp en de nadere uitwerking op te dragen aan het college. - Kennis te nemen van het Regionaal Beleidsplan (RBP) en de volgende regionale afspraken over
financiering vast te stellen:
a. 46% van het macro budget jeugdhulp beschikbaar te stellen voor bovenlokale zorg.
b. Verevening tussen gemeenten jaarlijks te laten plaatsvinden, op basis van het principe iedere
gemeente jeugdhulp voor de eigen jeugdigen financiert.
c. Overschrijdingen en onderschrijdingen binnen 5% van het budget worden niet afgerekend (solidariteitsprincipe).
d. Voor een periode van maximaal drie jaar zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige bekostigingssystematiek van de jeugdzorg. - Ten behoeve van de regionale en lokale vormen van zorg het macrobudget jeugdhulp dat
opgenomen is in het sociaal deelfonds als volgt te verdelen:
a. Regionaal € 13.623.813,00 (46% inclusief vereveningsfonds en verplichting Landelijk Transitiearrangement)
b. Lokaal € 16.270.236,00 (54% inclusief uitvoeringskosten, reserve materieel evenwicht
en flexibele inzet 2015).
c. De verdeling lokaal-regionaal op te nemen in de Programmabegroting 2015-2018
8.Ten aanzien van de monitoring en informatiepositie van de raad:
a. Van het college in 2015 en 2016 ieder half jaar (april en oktober) een dashboard tegemoet te zien, waarop de belangrijkste kengetallen, betreffende de output en outcome van het 3D beleid, staan samengevat. Dit opdat de Lelystadse samenleving zich kan informeren over de resultaten van de 3D, en de raad de door zichzelf gestelde kaders kan (her)toetsen aan de uitvoeringspraktijk. Daarin aandacht te hebben voor het meten van de transformatie naar meer preventie en lichtere vormen van zorg. (April 2015 = 0 meting op basis van bestaande gegevens).
b. De raad in 2016 tijdig een voorstel voor te leggen hoe de monitoring na deze startperiode er uit moet gaan zien.
- In het belang van goede afstemming en tijdige informatievoorziening aan de raad met betrekking tot voortgang, opdoemende problemen en meevallers, knelpunten en mogelijke bijsturingen en/of oplossingen, de raad informeel en regelmatig op de hoogte te houden van deze aspecten teneinde de goede en probleemarme voortgang te waarborgen.
- Het beleidsplan Jeugdhulp 2015 – 2019 ‘Kansrijk opgroeien in Lelystad’ vast te stellen met
-
18
Bijlagen
Besluit
Vaststellen Verordening Jeugdhulp 2015
Verordening Jeugdhulp 2015
Artikel 1. Begrippen
Onverminderd het gestelde in de wet, wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:- andere voorziening: een voorziening niet vallend onder de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
- gesprek: het gesprek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening;
- hulpvraag: de behoefte van een jeugdige of een ouder aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;
- jeugd- en gezinsteam: zelfsturende teams met generalistische werkers met diverse expertise die door het arrangeren van ondersteuning op maat bewerkstelligen dat een geringer beroep op dure specialistische zorg nodig is.
- individuele voorziening: de via een verleningsbeschikking toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt;
- melding: het eerste contact van jeugdigen en ouders met de gemeente om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp.
- ondersteuningsplan: het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
- overige voorzieningen: de overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.9, onder a,
van de wet, waarvoor geen verleningsbeschikking van het college vereist is; - pgb: het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die in de vorm van een individuele voorziening is toegekend van derden te betrekken;
- wet: Jeugdwet.
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
- De volgende vormen van overige (preventieve) voorzieningen zijn beschikbaar:
- (lichte) opvoedingsondersteuning
- trainingen voor ouders en/of jeugdigen
- informatie en advies (gericht op cliënt)
- onderzoek
- consultatie en advies
- De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
- jeugd- en opvoedhulp
- diagnostiek
- (dag)behandeling (individueel, gezin en groep)
- dagbesteding( eventueel inclusief vervoer)
- begeleiding (individueel, gezin en groep)
- persoonlijke verzorging
- kortdurend verblijf (logeren inclusief begeleiding maximaal 3 etmalen)
- verblijf 24- uurs zorg
- verblijf pleegzorg
- spoedeisende zorg
- onderzoek en advies bij huiselijk geweld en kindermishandeling
- gedwongen hulp (jeugdbescherming - of jeugdreclasseringsmaatregel)
- Het college maakt bekend op welke plaats het overzicht van de in enig jaar beschikbare overige (preventieve) en individuele voorzieningen kan worden gevonden.
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
- Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor
zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. - Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 9.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag
- Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college.
- Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.
- In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in
hoofdstuk 6 van de wet. - Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening.
Artikel 5. Vooronderzoek
- Het college verzamelt alle voor het gesprek, bedoeld in artikel 7, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo
spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. - Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek
nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. - Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van de voorbereiding als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 6. Gesprek
- Het college onderzoekt in een gesprek tussen de begeleider en de jeugdige of zijn
ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
e. de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;
f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
ondersteuning, of werk en inkomen;
h. hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en - In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert het college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze bijdrage wordt geïnd.
- Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming
om hun persoonsgegevens te verwerken. - Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.
Artikel 7. Verslag
- Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 6.
- Binnen tien werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders
een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. - Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden herkenbaar aan het verslag toegevoegd.
Artikel 8. Aanvraag
- Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.
- Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.
Artikel 9 Inhoud beschikking
- In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt
tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. - Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:
a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, en
d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. - Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:
a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;
b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en
e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. - Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.
Artikel 10. Regels voor pgb
- Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de wet.
- Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.
- Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden de persoon aan wie een
pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
- Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening
- Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt dat:
a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere besluit zou hebben geleid;
b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;
d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb, of
e. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. - Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte
genoten pgb. - Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Het college kan een kortere termijn vaststellen. - Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.
Artikel 12. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:
a. de aard en omvang van de te verrichten taken;
b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
c. een redelijke toeslag voor overheadkosten;
d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
e. kosten voor bijscholing van het personeel.
Artikel 13. Vertrouwenspersoon
- Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
- Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Artikel 14. Inspraak en medezeggenschap
- Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de
Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. - Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
vervullen. - Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden
voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. - Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Artikel 15. Klachtregeling
- Het college behandelt klachten overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.
- Aanbieders dienen te beschikken over een klachtenregeling.
- Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 16. Nadere regels
Het college kan voor de uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen.
Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.
- Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Jeugdhulp Lelystad 2015’.
-
19
Bijlagen
Besluit
- Het college toestemming te verlenen de Centrumregeling ‘Sociaal Domein Flevoland’ te treffen.
- De raad bij de eerstkomende evaluatie een exitstrategie te doen toekomen waarin opgenomen:
a. Een jaarlijkse einddatum om de overeenkomst te kunnen beëindigen, zo de raad daartoe zou
willen besluiten;
b. Wanneer beëindiging niet van toepassing is, dat er dan sprake is van een stilzwijgende
voortzetting van de overeenkomst.
-
20
Bijlagen
-
21
Bijlagen
-
22
Bijlagen
-
23
Bijlagen