- Locatie
Raadzaal
- Voorzitter
- burgemeester Adema
Uitzending
Agendapunten
-
0Gelegenheid tot inspreken over niet-geagendeerde onderwerpen
-
1Opening
-
2
Bijlagen
-
3Mededelingen
-
4
Bijlagen
-
5
Bijlagen
-
6Vaststellen A-stukken
-
6.1
Bijlagen
Besluit
De heer M. Klein uit Amsterdam te benoemen als lid van de Raad van toezicht van Stichting SchOOl met ingang van 1 januari 2018.
-
6.2
Bijlagen
Besluit
6b. Belastingverordeningen en tarievenregeling
VERORDENING op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2018
(Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2018).
Artikel 1 Belastingplicht- Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” wordt ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken een directe belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
- Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of
beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de
kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2 Belastingobject
- Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
- Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing
- De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.
- Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen
- In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij de krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
k. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. - De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel k van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
Artikel 5 Belastingtarieven
- Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor de eigenarenbelasting:
a. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1923%;
b. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,7027%. - Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's.
- Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats.
Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 6 Wijze van heffing
De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt:
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand
volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.
Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2017” van 20 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2018
(Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2018).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik;
b. woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden;
c. bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte.
Artikel 2 Belastingplicht
Onder de naam “belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten” wordt ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten een directe belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
Artikel 3 Belastingobject
Als één ruimte wordt aangemerkt:
a. een binnen de gemeente gelegen ruimte;
b. een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
c. een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
d. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel c bedoeld samenstel.
Artikel 4 Maatstaf van heffing
- De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
- In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Erfgoedwet vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:
a. de aard en de bestemming van de ruimte;
b. de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. - In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of gedeelte daarvan omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming.
- In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte.
- Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.
Artikel 5 Vrijstellingen
- In afwijking van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, de waarde van:
a. glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b. ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;
c. ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;
d. ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;
e. werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken.
Artikel 6 Waardepeildatum
- De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op 1 januari 2017 heeft.
- De heffingsmaatstaf vindt toepassing voor kalenderjaar 2018.
- De waarde van de ruimte wordt bepaald naar de staat waarin de ruimte op de waardepeildatum verkeert.
- Indien een ruimte tussen de waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar:
a. opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of
b. wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, of
c. een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid, wordt, in afwijking van het derde lid, de waarde bepaald naar de staat van die ruimte bij het begin van het kalenderjaar.
Artikel 7 Belastingtarieven
- Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor de eigenarenbelasting:
a. voor woonruimten 0,1923%;
b. voor bedrijfsruimten 0,7027%. - Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's.
- Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 8 Wijze van heffing
De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerst lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerst lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt:
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de belasting op roerende woon- of bedrijfsruimten.
Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2017” van 20 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
- Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2018
(Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2018).
Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit- Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel
15.33 van de Wet milieubeheer. -
De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven terzake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 2 Belastingplicht
-
De belasting wordt geheven van degenen die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijk afvalstoffen geldt. -
Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangemerkt: a. bij gebruik door meer leden van een huishouden: een lid van een huishouden; b. bij gebruik van delen van een perceel: degene die de delen van het perceel in gebruik heeft gegeven; c. bij ter beschikking stellen voor volgtijdig gebruik: degene die het perceel voor volgtijdig gebruik ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief
-
De belasting bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt: a. door 1 persoon € 244,83; b. door 2 of meer personen € 289,37. -
Het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar. -
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht.
Artikel 4 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 5 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd
- De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang
van de belastingplicht. - Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd
over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op
het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. - Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing
voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op
het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. - Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente
verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
Artikel 7 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt :
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand
volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing.
Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2017” van 20 december 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van rioolheffing 2018
(Verordening rioolheffing Lelystad 2018).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;
b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling,
verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in
beheer of in onderhoud bij de gemeente;
c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
d. woning: een onroerende zaak als bedoeld in artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet met dien verstande dat daartoe ook die gedeelten van een onroerende zaak behoren die als perceel kunnen worden aangemerkt en waarvan de waarde ingevolge artikel 220e van de Gemeentewet buiten de heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelastingen wordt gelaten;
e. niet-woning: elke onroerende zaak of zelfstandig gedeelte daarvan die niet als woning is aan te merken als voornoemd.
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam “rioolheffing” wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die
voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijke afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de
zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater,
alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de
grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te
beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
- Onder de naam "rioolheffing" wordt geheven:
a. een heffing van de gebruiker van een perceel dat in gebruik of bestemd is als woning van
waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te
noemen: gebruikersdeel;
b. een heffing van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens
eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de
gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel. - Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt als gebruiker
aangemerkt:
a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht gebruikt;
b. ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. - Bij de gebruikersbelasting wordt:
a. gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;
b. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
c. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. - Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, ingeval het
eigendom een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt
recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale
registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom,
bezit of beperkt recht is.
Artikel 4 Zelfstandige gedeelten
Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.
Artikel 5 Belastingobject- Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de
onroerende zaak, als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet
in hoofdzaak tot woning dient en die niet is genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de
Gemeentewet. - Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van
hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak,
niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot
woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief
- De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt als woning:
a. door 1 persoon € 86,70;
b. door 2 personen € 120,70;
c. door 3 personen € 154,70;
d. door 4 of meer personen € 207,70. - Het aantal personen, als bedoeld in het eerste lid, dat van een perceel gebruik maakt wordt
vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar. - Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat
van een perceel gebruik maakt, als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld naar de toestand op het
tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. - De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt geheven naar de waarde in
het economische verkeer van het eigendom als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering
onroerende zaken en bedraagt per belastingjaar voor een perceel die niet in hoofdzaak tot
woning dient 0,0551%. - De belasting van niet-woningen wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de
Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het
kalenderjaar 2018. - Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van
gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
dienstbaar zijn aan woondoeleinden. - Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de eigenaar die
het genot heeft van een perceel krachtens eigendom, bezit of beperkt recht vastgesteld naar de
toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. - Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofd-stuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikel 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 7 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd
- De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang
van de belastingplicht. - Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
- Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
- Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
Artikel 10 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt :
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand
volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.
Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening rioolheffing Lelystad 2017” van 20 december 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2018
(Verordening hondenbelasting Lelystad 2018).
Artikel 1 Belastbaar feit
Onder de naam “hondenbelasting” wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente.
Artikel 2 Belastingplicht
- Belastingplichtig is de houder van een hond.
- Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.
- Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.
Artikel 3 Vrijstellingen
- In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes
bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan
wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is
aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. - De belasting wordt niet geheven ter zake van honden:
a. die uitsluitend dienen om blinde personen te leiden of die hiervoor in opleiding zijn;
b. waarbij de houder van de hulphond de daartoe verstrekte machtiging afgegeven door de zorgverzekeraar kan overleggen;
c. die verblijven in een hondenasiel;
d. waarvan de houder in het bezit is van een geldend diploma van de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging, mits de houder zich verbindt zijn hond met een geleider, aan wiens bevelen hij gehoorzaamt, op aanvraag ter beschikking van de politie te stellen;
e. die jonger zijn dan 6 maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden.
Artikel 4 Maatstaf van heffing
De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
Artikel 5 Belastingtarief
- De belasting bedraagt per hond per belastingjaar € 86,17.
- In afwijking in zoverre van het voorgaande lid bedraagt de belasting voor honden gehouden in kennels die zijn geregistreerd bij de Raad van Beheer Op Kynologisch gebied in Nederland niet meer dan € 344,68.
- Eveneens in afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, niet meer dan € 344,68.
Artikel 6 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd
- De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
- Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting terzake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
- Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 9 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt:
a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,
maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke
in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens
een maand later;
b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen.
- Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen hondenbelasting en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de hondenbelasting.
Artikel 11 Geen kwijtschelding
Bij de invordering van de hondenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening hondenbelasting Lelystad 2016” van 15 december 2015, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
-
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018. - Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening hondenbelasting Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van marktgelden 2018
(Verordening marktgelden Lelystad 2018).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. standplaats : de op en voor de duur van een markt door het bevoegd gezag aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel;
b. vaste-standplaats : een standplaats die tot wederopzegging beschikbaar wordt gesteld;
c. dagplaats : een standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld;
d. standplaatshouder : ieder aan wie door het college van de gemeente Lelystad of de marktmeester het is toegestaan om gedurende een markt een standplaats te bezetten;
e. marktdag : de dag waarop de markt gehouden wordt, waarbij de voor de markt bestemde dagen afzonderlijk beschouwd worden;
f. weekmarkten : de markten die in de regel wekelijks op dinsdag en zaterdag worden gehouden in respectievelijk het “Lelycentre” en het “Stadshart”;
g. jaarmarkt : de in de regel in april van een jaar te houden jaarmarkt voor de verkoop van tuinartikelen en andere jaarmarkten;
h. een kwartaal : een kalenderkwartaal;
i. een halfjaar : een kalenderhalfjaar;
j. een jaar : een kalenderjaar.
Artikel 2 Aard van de heffing
Onder de naam van “marktgeld” wordt voor het innemen van een standplaats op een markt een recht geheven.
Artikel 3 Belastingplicht
Het marktgeld wordt geheven van degene die een standplaats op een markt inneemt.
Artikel 4 Maatstaf van heffing
- Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een weekmarkt wordt geheven over de
frontbreedte van de standplaats; deze frontbreedte wordt uitgedrukt in strekkende meters (m).
Indien de oppervlakte van de standplaats in vierkante meters meer bedraagt dan 5 maal de
frontbreedte, wordt voor iedere 5 vierkante meter overschrijding een extra strekkende meter in
rekening gebracht. - Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een jaarmarkt wordt geheven over het aantal vierkante meters (m2 ) dat de standplaats beslaat.
Artikel 5 Standplaatstarieven - Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 2,00 per strekkende meter met een minimum van € 8,00.
- Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een vaste-standplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan gedurende een tijdvak van:
a. een kwartaal: € 20,20 per strekkende meter, met een minimum van € 80,80;
b. een halfjaar: € 39,00 per strekkende meter, met een minimum van € 156,00;
c. een jaar: € 76,40 per strekkende meter, met een minimum van € 305,60. - Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagplaats op de zaterdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 3,30 per strekkende meter met een minimum van € 13,20.
- Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een vaste-standplaats op de zaterdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan gedurende een tijdvak van:
a. een kwartaal: € 36,00 per strekkende meter, met een minimum van € 144,00;
b. een halfjaar: € 67,95 per strekkende meter, met een minimum van € 271,80;
c. een jaar: €130,90 per strekkende meter, met een minimum van € 523,60.
Artikel 6 Heffingstijdvak voor vaste-standplaatshouders
- Het marktgeld van de vaste-standplaatshouders op de weekmarkten wordt geheven over een heffingstijdvak van een kwartaal, een halfjaar of een jaar en naar de daarbij in het tweede en vierde lid van artikel 5 vermelde tarieven.
- De keuze van het heffingstijdvak berust bij de belastingplichtige, die deze keuze ten minste drie weken voor de aanvang van het door hem gewenste heffingstijdvak schriftelijk aan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar moet mededelen.
- In het geval de mededeling bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet of niet tijdig wordt gedaan, wordt het marktgeld over een heffingstijdvak van een kwartaal geheven.
- Een eerder gekozen heffingstijdvak kan door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar op aanvraag van de belastingplichtige worden gewijzigd, mits de belastingplichtige dit drie weken vóór de aanvang van het nieuwe heffingstijdvak schriftelijk aanvraagt.
- Indien de belastingplicht van een vaste-standplaatshouder in de loop van het heffingstijdvak aanvangt, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel het marktgeld voor dat heffingstijdvak geheven naar de tarieven als vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5.
Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld
- Het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 is verschuldigd op het tijdstip waarop de standplaats wordt ingenomen.
- Het marktgeld vermeld in het tweede lid en vierde lid van artikel 5 is verschuldigd bij de aanvang
van een heffingstijdvak.
Artikel 8 Wijze van heffen
- Het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, (digitale) nota of andere schriftuur.
- Het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 wordt geheven bij wege van aanslag.
Artikel 9 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 worden betaald ingeval de kennisgeving:
a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving. - In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen van het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.
- De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden van dit artikel gestelde termijnen.
Artikel 10 Ontheffing
Indien de belastingplicht van een vaste-standplaatshouder in de loop van een heffingstijdvak eindigt, wordt ontheffing verleend van het voor dat tijdvak berekende marktgeld naar rato van het aantal
marktdagen dat na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht in dat tijdvak overblijft en het totaal aantal marktdagen in dat tijdvak.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college van de gemeente Lelystad kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de marktgelden.
Artikel 12 Kwijtschelding
Bij de invordering van de marktgelden wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening marktgelden Lelystad 2017” van 20 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening marktgelden Lelystad 2018”.
REGELING tot vaststelling van de tarieven voor de huur van gemeentegrond door de
ambulante handel 2018 (Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2018).
Artikel 1 Omzetbelasting- De bedragen van artikel 2, onderdeel 1 tot en met 6 zijn exclusief omzetbelasting.
- De bedragen van artikel 3, onderdeel 1 tot en met 5 zijn exclusief omzetbelasting.
Artikel 2 Tarieven
- Het tarief voor de huur van een vaste-standplaats gedurende 1 dag in de week bedraagt per kwartaal:
in het Stadshart € 470,00;
in het Lelycentre € 355,85;
in de overige gebieden € 281,05. - Het tarief voor de huur van een vaste-standplaats gedurende meerdere dagen per week bedraagt per kwartaal:
in het Stadshart € 584,10;
in het Lelycentre € 470,00;
in de overige gebieden € 355,85. - Het tarief voor de huur van een standplaats voor de verkoop van oliebollen bedraagt per week:
in het Stadshart € 79,20;
in het Lelycentre € 60,05;
in de overige gebieden € 44,10. - Het tarief voor de huur van een standplaats voor de verkoop van kerstbomen bedraagt per in de daartoe verleende vergunning opgenomen periode:
in het Stadshart € 622,10;
in het Lelycentre € 467,05;
in de overige gebieden € 374,80. - Het tarief voor de huur van een standplaats door overige commerciële gebruikers bedraagt per dag:
in het Stadshart € 25,05;
in het Lelycentre € 20,50;
in de overige gebieden € 16,15. - Het tarief voor de huur van openbare grond ten behoeve van een particuliere markt gedurende 1
dag in de week bedraagt per kwartaal:
in het Stadshart € 470,00;
in het Lelycentre € 355,85;
in de overige gebieden € 281,05.
Artikel 3 Overige tarieven
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de dinsdagmarkt naar verbruikt vermogen worden bij de houder van een vaste-standplaats per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het dagtarief in rekening wordt gebracht. Bij de houder van een dagplaats wordt het tarief per dag in rekening gebracht conform de onderstaande tarieven:
- stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 1,80;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 3,60;
- stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 5,40;
- stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 7,20;
Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de zaterdagmarkt naar verbruikt vermogen worden bij de houder van een vaste-standplaats per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het dagtarief in rekening wordt gebracht. Bij de houder van een dagplaats wordt het tarief per dag in rekening gebracht conform de onderstaande tarieven:
- stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,80;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,60;
- stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,40;
- stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,20;
Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 van de vigerende Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Lelystad naar verbruikt vermogen worden per dag bij de afnemer als volgt in rekening gebracht, met een maximum tarief van twee dagen per locatie per week:
- stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,80;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,60;
- stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,40;
- stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,20;
Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom voor incidentele standplaatsen en evenementen als bedoeld in artikel 5:17 van de vigerende Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Lelystad worden per stroomkast bij de afnemer als volgt in rekening gebracht:
- per evenement/vergunning voor het openen en sluiten van een stroomkast: € 25,00;
- per dag voor het stroomverbruik tot 4000 watt: € 11,20;
- per extra 1000 watt of deel daarvan: € 5,60
- per evenement/vergunning voor het openen en sluiten van een stroomkast: € 25,00;
- De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom ten behoeve van een particuliere markt
worden bij de houder van de marktorganisatievergunning per kwartaal in rekening gebracht,
waarbij voor een kwartaal 12 maal het onderstaande dagtarief in rekening wordt gebracht.
- stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,80;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,60;
- stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,40;
- stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,20;
Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
Artikel 4 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2017” van 20 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2018.
- De tarieven uit dit besluit zullen gelden met ingang van 1 januari 2018.
- Dit besluit kan worden aangehaald als “Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van leges 2018
(Legesverordening Lelystad 2018).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a. “dag” : de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt;
b. “week” : een aaneengesloten periode van zeven dagen;
c. “maand” : het tijdvak dat loopt van de eerste dag in een kalendermaand tot de
eerste dag in de volgende kalendermaand;
d. “jaar” : het tijdvak dat loopt van de eerste dag in een kalenderjaar tot de
eerste dag in het volgende kalenderjaar;
e. “kalenderjaar” : de periode van 1 januari tot en met 31 december.
Artikel 2 Belastbaar feit
- Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor:
a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
b. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandse
identiteitskaart of een reisdocument;
een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. - Hetgeen in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel is bepaald over een
Nederlandse identiteitskaart voor een persoon die op het moment van de aanvraag de
leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is van overeenkomstige toepassing op een
vervangende Nederlandse identiteitskaart voor personen met een uitreisverbod, ongeacht
de leeftijd van de betrokken persoon.
Artikel 3 Belastingplicht
Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst of van de Nederlandse identiteitskaart of het
reisdocument, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn
verricht.
Artikel 4 Vrijstellingen
Leges worden niet geheven voor:
a. diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald;
b. het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogen;
c. diensten die ingevolge wettelijk voorschrift zijn vrijgesteld van rechtenheffing of kosteloos
moeten worden verleend.
Artikel 5 Tarieven
- De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
- Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een project-uitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het
project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet. - Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 6 Wijze van heffing
De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur.
Artikel 7 Termijnen van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6:
a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 8 Kwijtschelding
Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9 Teruggaaf
- Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges terzake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling.
- Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 wordt de teruggaaf van leges, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een vermindering van de belastingaanslag.
Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college van de gemeente Lelystad kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges.
Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel
- De Legesverordening Lelystad 2017 van 20 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
-
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018. - De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
4.. Deze verordening wordt aangehaald als “Legesverordening Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2018
(Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2018).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a. begraafplaats : de algemene begraafplaats te Lelystad;
b. eigen graf : een graf, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:- het doen begraven en begraven houden van overledenen;
- het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
c. algemeen graf : een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder de gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van overledenen;
d. eigen urnengraf : een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten of bijgezet houden van twee asbussen met of zonder urnen;
e. algemeen urnengraf : een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of zonder urnen;
f. asbus : een bus ter berging van de as van een overledene;
g. urnennis : een nis, waarvoor voor onbepaalde tijd het recht is verkregen tot het doen bijzetten of bijgezet houden van asbussen of urnen;
h. urn : een voorwerp ter berging van één of meer asbussen;
i. verstrooiingsplaats : een permanent daartoe bestemd terrein waarop as wordt verstrooid, dan wel een plaats waar voor bepaalde of onbepaalde tijd het recht is verleend om as te doen verstrooien;
j. wandgraf : een bovengronds graf in een daartoe bestemde wand op de
begraafplaats waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het
uitsluitend recht is verleend tot het begraven van een overledene;
k. jaar : een periode van 365 dagen.
Artikel 2 Belastbaar feit
Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats.
Artikel 3 Belastingplicht
De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Artikel 4 Vrijstelling
De rechten worden niet geheven voor het begraven van doodgeboren kinderen of van overleden zuigelingen die met de overleden moeder in één kist worden begraven of gecremeerd.
Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 6 Belastingtijdvak
- Het belastingtijdvak voor de rechten genoemd in hoofdstuk 2, de onderdelen 2.1, 2.1.1, 2.1.2, 2.1.3 en 3.5 van de tarieventabel is gelijk aan de periode waarover wordt afgekocht.
- Na afloop van deze belastingtijdvakken worden de vorenbedoelde rechten niet opnieuw geheven.
Artikel 7 Wijze van heffing
De rechten worden geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld
De rechten zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening, bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen of bij de aanvang van het belastingtijdvak.
Artikel 9 Termijn van betaling
- In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden
betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. - De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.
Artikel 10 Kwijtschelding
Bij de invordering van de rechten wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rechten.
Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2017” van 20 december 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
- Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2018
(Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2018).
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a. parkeren:
het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
b. motorvoertuigen:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen;
c. houder:
degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aan te houden register van opgegeven kentekens (Kentekenregister) als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;
d. parkeerapparatuur:
parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
e. centrale computer:
computer van het bedrijf waarmee de gemeente Lelystad een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel;
f. vergunning:
een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren zoals bepaald in de vigerende Parkeerverordening van de gemeente Lelystad;
g. abonnement: een van gemeentewege verleend abonnement, voor het parkeren zoals bepaald in de vigerende Parkeerverordening van de gemeente Lelystad.
Artikel 2. Belastbaar feit
Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting terzake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
b. een belasting terzake van een van gemeentewege verleende vergunning/verleend abonnement voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning/dat abonnement aangeven plaats en wijze.
Artikel 3. Belastingplicht
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.
- Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:
a. degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te
willen voldoen;
b. zolang geen voldoening van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, heeft plaats-
gevonden: de houder van het voertuig met dien verstande dat:
1. indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;
2. indien blijkt dat een ander in het Kentekenregister als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. - De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op grond van
het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt,
indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het
voertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. - De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning/het abonnement heeft aangevraagd.
Artikel 4. Vrijstellingen
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren van een motorvoertuig op de
parkeerlocatie wordt niet geheven van een houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart,
indien deze kaart duidelijk zichtbaar achter het voorraam is geplaatst. - In afwijking van het bepaalde in het vorige lid geldt de genoemde vrijstelling niet in parkeer-
garages of bij parkeren achter slagbomen.
Artikel 5. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak
De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze
verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieven- en kostentabel.
Artikel 6. Wijze van heffing
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.
Als voldoening op aangifte wordt in dit geval aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in
werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van
de door het college gestelde voorschriften. - De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.
Artikel 7. Ontstaan van de belastingschuld
- De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren,
tenzij bij de aanvang van het parkeren het in werking stellen van de centrale parkeerapparatuur geschiedt door het halen van een toegangskaartje waarvoor na afloop van het parkeren betaald moet worden of door het inloggen via een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel op de centrale computer. - De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning/het abonnement wordt verleend.
-
Indien de belastingplicht in de loop van een in artikel 1 van de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieven- en kostentabel genoemd tijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel volle kalendermaanden als er in dat tijdvak op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog resteren. De over deze resterende volle kalendermaanden betaalde belasting wordt op verzoek gerestitueerd, voor zover het te restitueren bedrag hoger is dan € 50,00.
Artikel 8. Termijnen van betaling
-
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren. -
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting worden betaald vóór het verlaten van het terrein, waarbij betaling plaatsvindt met behulp van het toegangskaartje in de centrale parkeerapparatuur te stoppen. -
Indien het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van het parkeren. -
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning/het abonnement wordt verleend. -
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 9. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen
De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar bekend te maken besluit.
Artikel 10. Kosten
De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel
a, bedragen € 62,00.
Artikel 11. Kwijtschelding
Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12. Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de
parkeerbelasting.
Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2017” van 20 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.
- Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2018”.
VERORDENING op de heffing en de invordering van de
liggelden Bataviahaven 2018
(Verordening liggelden Bataviahaven 2018).
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Schip
Elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; onder vaartuig wordt mede verstaan drijvende werktuigen, zoals kranen, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard, alsmede glijboten en ponten.
Passagiersvaartuig
Elk schip, dat door de eigenaar bestemd is om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip, dat meer dan twaalf passagiers vervoert, veerboten daaronder begrepen.
Charterschip
Een passagiersvaartuig dat door de eigenaar is bestemd om meer dan twaalf passagiers te vervoeren of meer dan twaalf passagiers vervoert en dat daadwerkelijk en aantoonbaar wordt gebruikt ten behoeve van de beroepsmatige chartervaart en waarvan de gezagvoerder/eigenaar/reder als charterondernemer staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat is te boek gesteld overeenkomstig artikel 785 van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek en waarvoor een Certificaat van Onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Binnenvaartwet of Certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Schepenwet is afgegeven en waarvan de gezagvoerder/eigenaar/reder heeft voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 36 lid 2 van de Binnenvaartwet.
Pleziervaartuig
Een schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor niet-bedrijfsmatige, sportieve of recreatieve doeleinden. Onder niet-bedrijfsmatig wordt tevens verstaan het al dan niet structureel tegen betaling of enige andere tegenprestatie vervoeren van 12 of minder passagiers.
Charterjacht
Een pleziervaartuig dat gebruikt wordt door een natuurlijke persoon die niet de eigenaar van dat jacht is, maar dat tegen betaling in gebruik heeft van een derde, terwijl de gebruiker zelf optreedt als gezagvoerder op dat jacht en de derde van die verhuur zijn beroep of bedrijf heeft gemaakt, een en ander blijkend uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het feit dat het jacht daadwerkelijk en aantoonbaar voor dat doel wordt gebruikt.
Passanten
Belastingplichtigen voor ligplaatsen waarvoor geen abonnement is afgegeven ten behoeve van het schip waarmee ligplaats wordt ingenomen en die geen deelnemer aan een evenement zijn of dat evenement op een of andere wijze met een schip faciliteren.
Haven
Het water, gelegen in de gemeente Lelystad tussen het Schoonzicht en de wegen, de steigers en de kunstwerken, welke vanaf het Schoonzicht in zuid-westelijke richting zijn aangebracht, welke tezamen een dam vormen, met inbegrip van die dam, een strook water in het Oostvaardersdiep ter breedte van 20 meter ten noordwesten van die dam en de bij, op of aan die dam aangebrachte werken en voorzieningen, alsmede de monding van die haven met inbegrip van de in die monding aangebrachte remmingwerken, lichtopstanden, boeien en andere kunstwerken en voorzieningen, de naast en in de haven gelegen pontons en de daarin en daarop aangebrachte voorzieningen, een en ander met inbegrip van het appartement dat plaatselijk bekend is onder het adres Schoonzicht 404 met de daarbij behorende inventaris en aanhorigheden (havenkantoor met bijbehorende sanitaire voorzieningen), een en ander zoals is vastgelegd op de bij de vigerende Havenverordening Bataviahaven van de gemeente Lelystad behorende en daarvan onderdeel uitmakende kaart met het nummer SW-907262-AL-4.
Artikel 2. Belastbaar feit
Ter zake van het hebben van een ligplaats in de Bataviahaven en het in verband daarmee door of vanwege de gemeente verlenen van diensten wordt onder de naam "liggelden" rechten geheven.
Artikel 3. Belastingplicht- Belastingplichtig is degene die een ligplaats heeft ingenomen, dan wel degene voor wie diensten als bedoeld in artikel 2 worden of zijn verricht.
- Bij voortgezet innemen van een ligplaats na afloop van de termijn waarvoor liggeld is voldaan, ontstaat opnieuw de belastingplicht.
Artikel 4. Vrijstelling
Het recht wordt niet geheven ter zake van het innemen van een ligplaats met een schip dat voor onderhoudswerkzaamheden aan gemeente-eigendommen wordt gebezigd.
Artikel 5. Belastinggrondslag
Voor de berekening van het recht wordt:
a. als lengte van een vaartuig aangemerkt de lengte over alles van het vaartuig met inbegrip van een
vaste boegspriet, een papegaaienstok, het trimvlak en een roer, waarbij een gedeelte van een
meter wordt gerekend voor een hele meter;
b. als breedte van een vaartuig aangemerkt de breedte over alles van het vaartuig met inbegrip van
overhangen en balkons, waarbij een gedeelte van een meter wordt gerekend voor een hele meter;
c. als m² aangemerkt de hoeveelheid ingenomen wateroppervlakte, zijnde het product van de lengte
en de breedte over alles; waarbij een gedeelte van een m² wordt gerekend voor een hele m².
Artikel 6. Tarieven
Het recht wordt geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7. Verlaten ligplaats
Het college is gerechtigd de ligplaats die wordt ingenomen met een abonnement aan een ander schip toe te wijzen bij afwezigheid van het schip waarvoor het abonnement is afgegeven. Daarnaast is de havenmeester gerechtigd om bij evenementen, aanwijzingen te geven aan de houders van abonnementen.
Artikel 8. Het belastingjaar
- Met betrekking tot de rechten genoemd in de bij deze verordening behorende tarieventabel die per
jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. - Met betrekking tot de overige rechten genoemd in de tarieventabel is het belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor een ligplaats wordt ingenomen.
Artikel 9. Opzeggen recht
Ingeval een ligplaats wordt ingenomen voor een kalenderjaar en de gebruiker wenst deze ligplaats het volgende jaar niet in te nemen, dient deze gebruiker dit vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar dat hij van de ligplaats geen gebruik wenst te maken aan het college mede te delen. Indien de gebruiker niet voor bedoelde datum heeft opgezegd, wordt het recht voor het volgende kalenderjaar automatisch verlengd.
Artikel 10. Beëindiging belastingplicht
- Indien de belastingplicht, voor een vaartuig dat een ligplaats inneemt met een abonnementstarief voor een kalenderjaar, eindigt gedurende de periode waarvoor dat abonnement is verstrekt, wordt op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet ontheffing verleend over zoveel delen van het recht als er nog volle kalenderkwartalen in de periode van dat abonnement resteren.
- Indien de belastingplicht, voor een vaartuig dat een ligplaats inneemt met een abonnementstarief voor een zomer- of winterperiode, eindigt gedurende de periode waarvoor dat abonnement is verstrekt, wordt op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet ontheffing verleend over zoveel delen van het recht als er nog volle maanden in de periode van dat abonnement resteren.
Artikel 11. Wijze van heffing en termijnen van betaling
- Het recht wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een gedagtekende bon, nota of ander schriftuur, waarop het verschuldigde bedrag wordt vermeld.
- Het recht is verschuldigd zodra een ligplaats wordt ingenomen en moet worden betaald op het moment van de mondelinge kennisgeving of het uitreiken van de kennisgeving, dan wel in het geval van toezending van de kennisgeving binnen dertig dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
- Bij voortgezet verblijf na afloop van de termijn waarover liggeld is betaald begint een nieuwe termijn en is met betrekking tot deze nieuwe termijn het recht opnieuw verschuldigd, alsdan dient betaling opnieuw overeenkomstig het tweede lid plaats te vinden. Een en ander laat onverlet het verbod van voortzetting van de termijn door passanten, zoals dat is bepaald in de vigerende Havenverordening Bataviahaven van de gemeente Lelystad.
- Abonnementen dienen te worden betaald binnen dertig dagen na dagtekening van de nota.
- De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 12. Kwijtschelding
Bij de invordering van de liggelden wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 13. Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de liggelden.
Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel
- De “Verordening liggelden Bataviahaven 2017" van 20 december 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- De datum van ingang van de heffing is 1 april 2018.
- Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening liggelden Bataviahaven 2018”.
-
6.3
Bijlagen
Besluit
Per 1 januari 2018 de onderstaande personen te benoemen als lid van de welstandscommissie Lelystad in de functie van:
• M. de Waal Voorzitter
• ir. L. Vos Plaatsvervangend voorzitter
• ir. B.C.H. ten Bokum Lid, deskundige stedenbouw
• ir. J. Korpershoek Lid, deskundige architectuur
• B. Jellema van der Meij r.a. Lid, deskundige architectuur
• ir. E. Egert Lid, deskundige architectuur
• ing. J. Ruhl Secretaris
• ir. R. Bosch Plaatsvervangend secretaris -
6.4
Bijlagen
Besluit
- Ingesteld worden de volgende gemeentelijke onderscheidingen:
a. Ereburgerschap
b. Cornelis Lelypenning
c. Stadhuispenning
d. Jeugdlintje
e. Stadscompliment. - Voor de onderscheidingen genoemd in het eerste lid kan een ieder iemand anders voordragen.
Artikel 2. Ereburgerschap
- Het Ereburgerschap van de gemeente Lelystad kan in unieke gevallen als blijk van grote waardering en erkentelijkheid worden toegekend aan personen, al dan niet ingezetenen van de gemeente Lelystad, die zich in enig opzicht jegens de gemeente Lelystad en haar inwoners of de gemeenschap in het algemeen, zeer langdurig en/of zeer uitzonderlijk verdienstelijk hebben gemaakt.
- Aan het Ereburgerschap is een draaginsigne (speld) verbonden met een grote zilveren lelie. Bij de uitreiking wordt aan de ereburger tevens een oorkonde overhandigd waarop de gronden vermeld staan, die hebben geleid tot het toekennen van het ereburgerschap.
- Het besluit tot toekenning van het Ereburgerschap wordt genomen door de gemeenteraad, al dan niet op voorstel van het college.
- Personen aan wie het Ereburgerschap is toegekend ontvangen een uitnodiging voor bijzondere gelegenheden, zoals de nieuwjaarsreceptie van de gemeente.
Artikel 3. Cornelis Lelypenning
- De Cornelis Lelypenning kan in zeer bijzondere gevallen als blijk van grote waardering worden toegekend aan personen en rechtspersonen voor een activiteit of reeks van activiteiten waarmee de lokale gemeenschap opmerkelijk werd gediend, hetzij individueel, hetzij in georganiseerd verband.
- Aan de Cornelis Lelypenning voor personen is een zilveren penning verbonden. Bij de uitreiking wordt tevens een draaginsigne (speld) met een kleine zilveren lelie overhandigd, alsmede een ingelijste oorkonde.
- Het besluit tot toekenning van de Cornelis Lelypenning wordt genomen door de gemeenteraad, al dan niet op voorstel van het college.
Artikel 4. Stadhuispenning
- De Stadhuispenning van de gemeente Lelystad kan in bijzondere gevallen als blijk van waardering worden toegekend aan personen en instanties die op een bepaald terrein incidenteel of structureel een bijzondere prestatie hebben geleverd.
- De Stadhuispenning van de gemeente Lelystad is bronzen penning. Bij de uitreiking wordt tevens een oorkonde overhandigd.
- Het besluit tot toekenning van de Stadhuispenning wordt genomen door het college van Lelystad.
Artikel 5. Het Jeugdlintje
- Het Jeugdlintje kan als blijk van waardering in bijzondere gevallen worden toegekend aan jongeren in de leeftijd tot en met 18 jaar, die zich op een bijzondere wijze hebben ingezet voor de Lelystadse samenleving. Dat kan bijvoorbeeld door:
a. het geruime tijd helpen van ouderen, gehandicapten of zieken;
b. het organiseren van activiteiten in een wijk of buurthuis;
c. het bespreekbaar maken van moeilijke onderwerpen zoals pesten, alcoholgebruik of zinloos geweld (bijvoorbeeld door het starten van een actie);
d. het verrichten van een “heldendaad”;
e. vrijwilligerswerk bij een culturele vereniging of sportvereniging. - Het Jeugdlintje kan niet worden verleend voor het leveren van een culturele of sportieve prestatie waarvoor al een andere onderscheidingsmogelijkheid bestaat.
- De verdiensten van kandidaten die niet in de gemeente Lelystad woonachtig zijn, dienen ten goede te komen aan de gemeenschap Lelystad, of een onderdeel daarvan.
- Het Jeugdlintje bestaat uit:
a. een oorkonde;
b. een persoonlijk cadeau. - Het besluit tot toekenning van een Jeugdlintje wordt genomen door het college van Lelystad op voordracht van een daartoe door het college in te stellen adviescommissie.
- In de adviescommissie hebben in ieder geval een vertegenwoordiger van de doelgroep en een professional uit het jeugdwerk zitting.
Artikel 6. Het Stadscompliment
- Het Stadscompliment kan als blijk van waardering in opmerkelijke gevallen worden toegekend aan personen en organisaties voor vrijwillige inzet ten behoeve van (individuele leden van de) Lelystadse samenleving, of voor een opmerkelijke prestatie.
- Het stadscompliment voor personen bestaat uit:
a. een oorkonde;
b. een bos bloemen; - Het besluit tot toekenning van het Stadscompliment wordt genomen door de burgemeester.
Artikel 7. Nadere regels
- Het bestuursorgaan dat bevoegd is een gemeentelijke onderscheiding toe te kennen kan ten aanzien van de toekenningscriteria nadere regels vaststellen.
- Van de door een bestuursorgaan vastgestelde nadere regels als bedoeld in het eerste lid wordt aantekening gehouden in het register Gemeentelijke Onderscheidingen.
Artikel 8. Publicatie, verplichtingen en intrekken
- Van elke toekenning van het Ereburgerschap, de Cornelis Lelypenning, de Stadhuispenning, het Jeugdlintje en het Stadscompliment wordt door het college van Lelystad aantekening gehouden in een register Gemeentelijke Onderscheidingen.
- Aan de toekenning van het Ereburgerschap, de Cornelis Lelypenning, de Stadhuispenning, het Jeugdlintje en het Stadscompliment zijn geen andere rechten en verplichtingen verbonden dan vermeld in deze verordening.
- De gemeentelijke onderscheidingen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn uitgereikt blijven van kracht en worden eveneens vermeld in het register Gemeentelijke Onderscheidingen.
- Indien zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan het orgaan dat besloten heeft tot het toekennen van de in deze verordening genoemde onderscheidingen besluiten tot het vervallen verklaren en/of intrekken van de uitgereikte onderscheiding. Hiervan wordt eveneens aantekening gehouden in het register Gemeentelijke Onderscheidingen.
Artikel 9. Inwerkingtreding en citeertitel
- Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening gemeentelijke onderscheidingen Lelystad”.
- Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.
- Ingesteld worden de volgende gemeentelijke onderscheidingen:
-
6.5
Bijlagen
Besluit
Als algemene, strategische doelstellingen van het ‘Integraal Veiligheidsplan Lelystad 2018 -
2022’ vast te stellen (hfdst. 3):
a: Verbetering van het veiligheidsbeeld van Lelystad, met als algemene meetwaarden:
1. Afname van het totaal aantal door de politie geregistreerde misdrijven van 4.450 naar
maximaal 4.000.
2. Afname van het percentage inwoners dat zich wel eens onveilig voelt in de eigen
woonbuurt van 22% naar maximaal 18%.
b: Burgers en ondernemers meer ‘in positie’ brengen door verdere vermaatschappelijking van
veiligheid.
c: Veilige ontwikkeling van de stad door te anticiperen op de veiligheid van ontwikkellocaties zoals
Lelystad Airport en overslaghaven Flevokust.
d: Veerkrachtig beleid voor een veerkrachtige stad ofwel stevige verankering van het
veiligheidsbeleid in integraal werken aan de stad vanuit verschillende beleidsinvalshoeken.
2. Als specifieke doelstellingen voor de drie prioritaire veiligheidsthema’s vast te stellen:
a. Thema ‘Veilige en leefbare wijken’ (pgrf. 5.1):
1: Bijdragen aan de veerkracht en vitaliteit van onze wijken en buurten door ongewenst
gedrag zoveel mogelijk te voorkomen en waar het zich voordoet, consequent aan te
pakken. We doen dit met persoonsgerichte, gebiedsgerichte en themagerichte
maatregelen. Kenmerkend zijn integraal werken, verbindingen met ander gemeentelijk
beleid en een stevige rol van burgers.
2: Het totaal aantal meldingen van sociale overlast daalt van 991 naar maximaal 800.
3: Het rapportcijfer voor de veiligheid van de woonbuurt daalt niet en blijft tenminste een 7,2.
4: Het totaal aantal geweldsmisdrijven daalt van 610 naar maximaal 550.
b. Thema ‘Problematische jeugd en jeugdgroepen’ (pgrf. 5.2):
1: Via integrale sets van maatregelen, in samenwerking met onze partners en in wisselwerking
met ander beleid, zodanig investeren in problematische jeugd dat ongewenst gedrag
‘duurzaam’ vermindert en de focus meer komt te liggen op perspectief en inclusie.
2: Het percentage jongeren in de leeftijdscategorie tot 25 jaar dat als verdachte is
aangehouden, daalt van 3,1 naar maximaal 3,0.
3: Het aantal meldingen jeugdoverlast daalt van 320 naar maximaal 250.
4: Het percentage inwoners dat (veel) overlast ervaart van rondhangende jongeren, daalt van
20,4% naar maximaal 18%.
c. Thema ‘Ondermijning’ (pgrf. 5.3):
1: Via consequente inzet van de bestuurlijke instrumenten, in samenwerking met onze
partners de speelruimte van ondermijnende criminaliteit verder verkleinen.
3. Als algemene lijn voor de inzet op de strategische ofwel ‘going concern’-thema’s vast te stellen: de
huidige inzet continueren en het huidige veiligheidsniveau vasthouden (hoofdstuk 6). De
strategische thema’s zijn:
1: Woninginbraak, voertuigcriminaliteit en andere vermogensdelicten.
2: Veilig uitgaan, evenementen en toerisme.
3: Veilige winkelgebieden en bedrijventerreinen.
4: Verkeersveiligheid.
5: Brandveiligheid, externe veiligheid, crisisbeheersing, waterveiligheid.
6: Polarisatie en radicalisering.
7: Informatieveiligheid.
8: VPT/Veilige Publieke Taak.
9: Ambtelijke en bestuurlijke integriteit.
4. Jaarlijks een bedrag van € 25.000,= voor benodigde intensiveringen uit te trekken (pgrf. 8.4). In
2018 zal dit uit bestaande budgetten betaald worden, vanaf 2019 zal dit structureel geborgd
worden.
5. Kennis te nemen van het ‘Uitvoeringsplan Integrale Veiligheid 2018-2020’. -
6.6
Bijlagen
Besluit
- de bereikbaarheid van de Larserknoop te verbeteren door de nieuwe hoofdinfrastructuur in het gebied versneld aan te leggen;
- een investeringskrediet ad € 2.013.568 (exclusief BTW) beschikbaar te stellen om OMALA de verbeteringen in de infrastructuur namens de gemeente te laten uitvoeren;
- in lijn met het Besluit Begroting en Verantwoording deze maatschappelijk nut investering te activeren en vooruitlopend op de nota Activeren en Afschrijven de investering in 40 jaar lineair af te schrijven;
- de structurele dekking van de hieruit voortvloeiende rente- en afschrijvingslasten ad € 70.475 vanaf 2018 te betrekken bij de programmabegroting 2018-2021;
- budget beschikbaar te stellen ter dekking van de extra benodigde ambtelijke inzet voor begeleiding en de procedures voor de vestiging van een aantal grote bedrijven;
- hiervoor in 2017 een budget ad € 248.200 (exclusief BTW) beschikbaar te stellen;
- het budget ad € 248.200 (exclusief BTW) te dekken vanuit de verwachte extra leges omgevingsvergunningen 2017.
-
6.7
Bijlagen
Besluit
Geen wensen en bedenkingen te uiten bij het collegebesluit om de gezamenlijke ‘Prestatieafspraken 2018 Gemeente Lelystad – HVOB – Centrada’ vast te stellen.
-
6.8
Bijlagen
Besluit
- kennis te nemen van de stukken voor de Algemene Aandeelhouders Vergadering van HVC;
- geen zienswijze in te dienen bij het voornemen van HVC om de statuten te wijziging om daarmee de samenstelling van de RvC te kunnen wijzigen.
-
7Vaststellen B-stukken
-
7.1
Bijlagen
-
8Gelegenheid tot stellen van mondelinge vragen (art. 38 RvO)