Ga naar de inhoud van deze pagina Ga naar het zoeken Ga naar het menu
Vorige pagina

Technische vragen

TV 26.549 JL Onderwijsachterstandenbeleid 2027-2030

ID
1733
Datum vraag
30-10-2026
Onderwerp
TV 26.549 JL Onderwijsachterstandenbeleid 2027-2030
Agendapunt
Commissie Maatschappij 2026 (3.c. 26.549 Onderwijsachterstandenbeleid 2027-2030)
dinsdag 3 november 19:30 tot 21:00
Raadzaal
Raadsleden
  • Shirley Venverloo
Fractie
  • Fractie JongLelystad
Fractieassistent
Vraag
1. Kan het college inzicht geven in de verwachte GOAB-middelen voor 2027–2030 en de (geraamde) verdeling daarvan over de verschillende beleidsactiviteiten? 2. Hoeveel extra kinderen komen naar verwachting in aanmerking voor VVE door de verbreding van de doelgroepdefinitie, en is er voldoende capaciteit en budget om deze kinderen te ondersteunen? 3. Welke concrete doelstellingen en indicatoren worden vastgesteld om te beoordelen of het onderwijsachterstandenbeleid in 2027–2030 daadwerkelijk effect heeft? 4. Op basis van welke (objectieve) criteria is de voorgestelde financieringsvolgorde bepaald. Wat gebeurt er als het beschikbare budget niet toereikend blijkt om alle activiteiten te financieren? 5. Wanneer ontvangt de raad de eerste evaluatie? Hoe borgt u dat tegenvallende resultaten leiden tot bijsturing?
Antwoord
1. Kan het college inzicht geven in de verwachte GOAB-middelen voor 2027–2030 en de (geraamde) verdeling daarvan over de verschillende beleidsactiviteiten? In totaal is er per jaar €7 miljoen beschikbaar, waarbij voor de wettelijke taken €3 miljoen is geraamd. Voor de overige inzet is €4 miljoen beschikbaar. Voor deze verdeling zijn geen begrotingsplafonds opgenomen en worden subsidieaanvragen inhoudelijk en financieel beoordeeld. Zo wordt er zoveel mogelijk op inhoud beoordeeld en niet op financiën. Mochten deze aanvragen het totale bedrag overschrijden dan maakt het college een inhoudelijke afweging en/of een procentueel gelijke verdeling van het resterende bedrag. Zo wordt er voor gezorgd dat aan ieder onderdeel aandacht wordt besteed. Voor de beeldvorming: afgelopen jaren (2021-2026) is er altijd volledig beschikt in lijn met de subsidieaanvraag, mits dit inhoudelijk overeenkwam met de ambities. Er is in die periode ieder jaar ongeveer €6 miljoen beschikt, voor 2027 zal het bedrag nog een miljoen hoger zijn. Dit maakt dat het risico op het niet kunnen verlenen op financieel gebied minimaal is. 2. Hoeveel extra kinderen komen naar verwachting in aanmerking voor VVE door de verbreding van de doelgroepdefinitie, en is er voldoende capaciteit en budget om deze kinderen te ondersteunen? De brede doelgroepdefinitie staat al langer in beleid. Er is hier minder gericht op gestuurd door het ontbreken van relevante data, zoals de reden van het non-bereik. De verwachting is dat door beter inzicht en sturing er een verdubbeling zal zijn van het bereik; van 250 naar 500 kinderen. Dit past binnen de huidige raming van het budget. Er zijn nu namelijk al genoeg beschikbare plekken echter worden deze niet volledig benut. Door meer kinderen te bereiken zullen deze plekken ingevuld worden. In het budget wordt uitgegaan van de totale aantal plekken, hierdoor is de afgelopen jaren steeds geld teruggevorderd vanuit de kinderopvang. Door betere monitoring gaat het college hier vooraf op sturen in plaats van achteraf terugvorderen. 3. Welke concrete doelstellingen en indicatoren worden vastgesteld om te beoordelen of het onderwijsachterstandenbeleid in 2027–2030 daadwerkelijk effect heeft? In bijlage 2 van het beleid worden indicatoren beschreven. Deze worden in de subsidieregeling, die na het beleid volgt, verder uitgewerkt in daadwerkelijk monitoring en resultaten. Globaal zijn dit de indicatoren: Indicering en toeleiding • Er is volledig zicht op het aantal VE-indicaties en de reden voor het afgeven van de indicatie. • Ouders, van een baby of peuter die mogelijke onderwijsachterstanden kan opbouwen, worden begeleid naar voorschoolse educatie en in contact gebracht met vroege taal/leesstimuleringsprojecten. • De monitoring van de doorgaande lijn (op basis van de zeven thema’s) in het aanbod voor baby’s, peuters, kleuters en basisschoolleerlingen, wordt door iedere partij ingevuld en besproken. Voorschool • Er is volledig zicht op het bereik en non-bereik van (geïndiceerde) kinderen, gespecificeerd op basis van leeftijd, reden waarop geïndiceerd is en herkomst in de stad. • Minimaal 80% van alle doelgroepkinderen volgt voorschoolse educatie. • Non-bereik wordt inzichtelijk gemaakt per wijk, leeftijd en reden van non-bereik. • Er is zicht op hoeveel uur doelgroepkinderen in Lelystad VVE volgen en hoe de groep is samengesteld. • De partners bespreken kwartaalcijfers in de werkgroep van de LEA, genaamd ‘visie op jonge kind’. • De overdracht naar de basisschool is gestandaardiseerd in een overdrachtsformulier. Basisschool • 80% van de doelgroepleerlingen op achterstandsscholen start groep 3 zonder significante achterstand. • 95% van de doelgroepleerlingen op achterstandsscholen behaalt eind groep 8 minimaal het basisreferentieniveau 1F. • Er is volledig zicht op doelgroep leerlingen op basisscholen die niet onder de noemer achterstandsschool vallen. • In groep 8 stroomt 80% van de VVE-leerlingen op achterstandsscholen uit met een passend schooladvies op basis van de op- en afstroom in het voortgezet onderwijs (VO). • Scholen werken aantoonbaar met effectieve interventies. 4. Op basis van welke (objectieve) criteria is de voorgestelde financieringsvolgorde bepaald. Wat gebeurt er als het beschikbare budget niet toereikend blijkt om alle activiteiten te financieren? De volgorde is bepaald op basis van wettelijke taken, stadsbrede inzet en belang en gesprekken met maatschappelijke partijen (zoals kinderopvang, onderwijs en andere partners). Voor het budget is gekeken naar de subsidiëring van voorgaande jaren. Daarbij zijn landelijke richtlijnen (zoals tarieven) het uitgangspunt voor verstrekking. Mochten deze aanvragen het totale bedrag overschrijden dan maakt het college een inhoudelijke afweging en/of een procentueel gelijke verdeling van het resterende bedrag. 5. Wanneer ontvangt de raad de eerste evaluatie? Hoe borgt u dat tegenvallende resultaten leiden tot bijsturing? De raad ontvangt in Q3 van 2027 de eerste evaluatie middels de onderwijsmonitor. Dit is dan een nulmeting van de eerste periode van het beleid. Eventuele (bij)sturing wordt gegeven middels bestuurlijke overleggen, de gezamenlijke Lokaal Educatieve Agenda (LEA) en ambtelijke overleggen. Hierbij worden de gegevens en de subsidieaanvragen/vaststellingen gebruikt.
Toelichting
Datum antwoord
02-11-2026