1. Welke concrete prestatie- en uitvoeringsafspraken heeft de gemeente Lelystad voor de periode 2027–2030 gemaakt met kinderopvangorganisaties, schoolbesturen en andere betrokken partners over de uitvoering van het VVE-beleid?
2. Waar zijn deze afspraken formeel vastgelegd, bijvoorbeeld in subsidiebeschikkingen, convenanten, uitvoeringsovereenkomsten of andere documenten? Kan het college aangeven welke documenten hiervoor relevant zijn?
3. Hoe wordt het bereik van doelgroepkinderen gemeten en geregistreerd? In het bijzonder: hoe wordt vastgesteld of de doelstelling van minimaal 80% bereik wordt gehaald en welke gegevens worden hiervoor per organisatie bijgehouden?
4. Hoe wordt de deelname aan VVE-uren gemonitord? Kan het college aangeven hoe wordt geregistreerd hoeveel VVE-uren kinderen daadwerkelijk volgen en hoe de naleving van de 960-urennorm wordt vastgesteld?
5. Krijgt een kinderopvang voor elk kind geld voor de 960 uur? Ook als het aantal uren niet gehaald wordt?
6. Welke gegevens worden door VVE-aanbieders aangeleverd over non-bereik, kwaliteit en de overdracht van kinderen naar het basisonderwijs? Kan het college daarbij aangeven welke indicatoren hiervoor worden gebruikt?
7. Hoe zijn de monitoring, evaluatie en verantwoordelijkheden rondom de prestatieafspraken georganiseerd? Kan het college aangeven welke partij verantwoordelijk is voor het aanleveren en controleren van de gegevens, hoe vaak de voortgang wordt geëvalueerd en op welke momenten hierover aan de gemeenteraad wordt gerapporteerd?
8. Blz 18: Wat wordt bedoeld met “De maatschappij komt steeds meer de school binnen”? Kunt u aangeven welke uitdagingen dat voor de scholen en de gemeente met zich meebrengt?
Antwoord
1.Welke concrete prestatie- en uitvoeringsafspraken heeft de gemeente Lelystad voor de periode 2027–2030 gemaakt met kinderopvangorganisaties, schoolbesturen en andere betrokken partners over de uitvoering van het VVE-beleid?
In bijlage 2 van het beleid worden de indicatoren beschreven. In de uitvoeringsregeling, die na vaststelling van de kaders in de gemeenteraad volgt, worden verdere afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn afhankelijk van de vastgestelde uitgangspunten en vallen onder een collegebevoegdheid.
2.Waar zijn deze afspraken formeel vastgelegd, bijvoorbeeld in subsidiebeschikkingen, convenanten, uitvoeringsovereenkomsten of andere documenten? Kan het college aangeven welke documenten hiervoor relevant zijn?
Deze afspraken worden voor stadsbrede inzet incidenteel vastgelegd in een convenant (zoals de taalschool), in de subsidieregeling of subsidiebeschikkingen. Andere afspraken worden vastgelegd in monitoringsystemen of overleggen (zoals Visie jonge kind).
3.Hoe wordt het bereik van doelgroepkinderen gemeten en geregistreerd? In het bijzonder: hoe wordt vastgesteld of de doelstelling van minimaal 80% bereik wordt gehaald en welke gegevens worden hiervoor per organisatie bijgehouden?
Door het monitoringssysteem: ‘de peutermonitor’ van bureau innovatie nul13.
De verschillende partijen voeren gegevens in:
- De gemeente voert het aantal peuters in de stad in (op BSN-niveau).
- De jeugdgezondheidszorg Icare voert het aantal geïndiceerde kinderen in (op BSN-niveau)
- De kinderopvang voert de kinderen in die deelnemen aan VE, het aantal uur en welke locatie (op BSN-niveau).
De partijen zien onderling geen persoonsgegevens; dit is afgeschermd, maar de jeugdgezondheidszorg krijgt wel een actieve terugkoppeling op BSN-niveau van de kinderen die wel een indicatie hebben maar niet naar de peuterspeelzaal gaan.
4.Hoe wordt de deelname aan VVE-uren gemonitord? Kan het college aangeven hoe wordt geregistreerd hoeveel VVE-uren kinderen daadwerkelijk volgen en hoe de naleving van de 960-urennorm wordt vastgesteld?
Door het monitoringssysteem: ‘de peutermonitor’ van bureau innovatie nul13. In het systeem noteert de kinderopvang hoeveel uur kinderen deelnemen aan de VE. Zo kan worden ingezien hoeveel uur van de 960 uur wordt behaald.
5.Krijgt een kinderopvang voor elk kind geld voor de 960 uur? Ook als het aantal uren niet gehaald wordt?
Nee, het geld volgt het kind. De ingezette uren en aanwezigheid wordt gemonitord door het monitoringssysteem: ‘de peutermonitor’ van bureau innovatie nul13. De kinderopvang krijgt alleen betaald voor het daadwerkelijke aantal uren.
6.Welke gegevens worden door VVE-aanbieders aangeleverd over non-bereik, kwaliteit en de overdracht van kinderen naar het basisonderwijs? Kan het college daarbij aangeven welke indicatoren hiervoor worden gebruikt?
Zie vraag vier.
De VE-aanbieders zijn niet op de hoogte van het non-bereik, omdat deze kinderen niet ingeschreven staan op hun peuterspeelzaal. Ook mag dit vanwege privacy niet worden gedeeld met het onderwijs.
De kinderen die niet op een VE-zaal zijn geweest worden echter door de JGZ gemonitord. Daar worden dan bijvoorbeeld huisbezoeken of een extra contactmoment op ingezet om het bereik te verhogen.
7.Hoe zijn de monitoring, evaluatie en verantwoordelijkheden rondom de prestatieafspraken georganiseerd? Kan het college aangeven welke partij verantwoordelijk is voor het aanleveren en controleren van de gegevens, hoe vaak de voortgang wordt geëvalueerd en op welke momenten hierover aan de gemeenteraad wordt gerapporteerd?
De gemeente is verantwoordelijk voor de naleving van de data-afspraken. Daarbij worden de prestatieafspraken in de subsidieverantwoording gedeeld met de gemeente; dit wordt beoordeeld door beleid, control, juridisch en het college. Daarbij dient er bij bepaalde (hogere) subsidies een controleverklaring door een onafhankelijke accountant te worden aangeleverd.
Andere monitoring vindt plaats door het monitoringssysteem: ‘de peutermonitor’ van bureau innovatie nul13, het monitoringssysteem Visie jonge kind van Sardes en de referentiescores van het onderwijs.
Eventuele (bij)sturing wordt gegeven middels bestuurlijke overleggen, de gezamenlijke Lokaal Educatieve Agenda (LEA) en ambtelijke overleggen. Hierbij worden de gegevens en de subsidieaanvragen/vaststellingen gebruikt.
De raad ontvangt in Q3 van 2027 de eerste evaluatie middels de onderwijsmonitor. Dit is dan een nulmeting van de eerste periode van het beleid.
8.Blz 18: Wat wordt bedoeld met “De maatschappij komt steeds meer de school binnen”? Kunt u aangeven welke uitdagingen dat voor de scholen en de gemeente met zich meebrengt?
De problemen die in wijken, gezinnen en de leefomgeving spelen hebben ook hun weerslag in de school. Denk bijvoorbeeld aan armoede, financiële stress, criminaliteit, echtscheidingen, jeugd en gezinsproblematiek, mentale gezondheid, sociaal gedrag, individualisering, sociale media en digitalisering, veiligheid et cetera.
Toelichting
In de nota Onderwijsachterstandenbeleid Lelystad 2027–2030 wordt aangegeven dat in de vorige beleidsperiode de monitoring van doelen en resultaten niet altijd voldoende mogelijk was. Ook waren het bereik en non-bereik van doelgroepkinderen, de 960-urennorm en de overdracht tussen voorschool en basisschool niet altijd goed inzichtelijk of geborgd.
Voor de nieuwe beleidsperiode wordt daarom ingezet op concrete monitoring, betere dataverzameling en gezamenlijke afspraken met de betrokken partners. De nota bevat daarbij verschillende concrete doelstellingen, waaronder minimaal 80% bereik van doelgroepkinderen, inzicht in het aantal gevolgde VVE-uren en monitoring van non-bereik.
Om als gemeenteraad goed te kunnen volgen hoe deze afspraken in de praktijk worden uitgevoerd en gemonitord, stellen wij als Leefbaar Lelystad hierover de volgende technische vragen: